De lotgevallen van Dappere Hendrik

1

1070522454

Een arme vrouw – ze was ook nog eens weduwe – leefde alleen met haar zoontje Hendrik, of Hendrikje, zoals ze hem ook wel liefkozend noemde. Ze hield inderdaad heel erg van hem, en Hendrik was ook een brave en gedienstige, en op de koop toe dappere jongen. Hij was nog maar zeven jaar oud, maar toch hielp hij al flink mee in het huishouden, terwijl zijn moeder naarstig aan het werk was, en er dan ’s avond op uittrok om wat ze gemaakt had te verkopen, zodat ze eten kon kopen voor haar en Hendrik. Hendrik dweilde de vloer, maakte het eten klaar, hij onderhield de moestuin, en als dat alles gedaan was, zette hij zich op een stoel en begon zijn kleren en die van zijn moeder te herstellen als het nodig was, of hij poetste zijn moeders schoenen, zelf liep hij op houten blokken. Tussendoor zette hij ook al eens een tafel of een stoel in elkaar. Kortom, Hendrik deed alles wat maar in zijn vermogen lag. Het huis waar zij in woonden was hún huis, maar het was er erg eenzaam. Het huis keek uit op een hoge berg, een zo hoge berg, dat nog nooit iemand tot op de top was geraakt, wat sowieso onmogelijk zou zijn, doordat het er vaak enorm hard regende, doordat er hoge obstakels waren en onbeklimbaar steile rotswanden.

Maar moeder en zoon waren gelukkig, heel gelukkig, tot op een dag moeder erg ziek werd. Er woonde geen dokter in de buurt, en ze hadden er ook geen kunnen betalen. En zelfs de dappere Hendrik wist natuurlijk ook niet hoe hij zijn moeder zou kunnen genezen. Af en toe een beker koel helder water, ja, en hij bleef dag en nacht dicht bij haar, en at zelf maar een enkel stukje droog brood, zittend aan het voeteneind van haar bed. Als ze sliep, keek hij naar haar met een droevige blik en weende. Haar toestand werd met de dag penibeler, en het zou niet lang meer duren voor ze zou sterven. Spreken kon ze niet meer, woorden waren uit haar geheugen verdwenen als lucht uit een ballon, ze herkende zelfs haar eigen dappere Hendrik niet meer, die op zijn knieën naast haar bed zat, en snikte, en in wanhoop uitriep:
“Lieve Goede Fee, help ons alstublieft! Redt mijn moeder!!”
Er vloog een venster open en een rijk geklede dame kwam de kamer binnen en zei op stille toon tegen hem:
“Wat wens je dat ik voor je doe, kleine vriend? Je hebt me geroepen, en hier ben ik.”
Madame, riep Hendrik uit, “als u echt Goede Fee bent, redt dan mijn moeder die op sterven ligt en mij alleen op de wereld zal achterlaten.”
Goede Fee keek vol medelijden Hendrik aan, en zonder een woord te spreken, ging ze naar het bed waar de moeder lag, boog zich over haar heen, onderzocht haar, ademde in haar gezicht.
“Het ligt niet in mijn macht, helaas,” zei ze ten slotte, “om je moeder te genezen, haar leven ligt helemaal in jouw handen. Als je de moed hebt reis te ondernemen, dan zal ik je op weg helpen.”
“Zeg wat me te doen staat, Madame. Zeg het me! Er is niets dat ik níet zal doen om het leven van mijn moeder te redden.”
“Je zult de levensplant moeten gaan zoeken, die op de top van de berg groeit die je vanuit je venster kunt zien. Als je de plant eenmaal hebt, pers er dan sap uit en druppel dat in je moeders mond en ze zal onmiddellijk weer zo gezond zijn als voorheen.”
“Ik ga onmiddellijk op weg, Madame. Maar wie gaat er voor mijn moeder zorgen zolang ik er zelf niet ben? En dan nog,” zei Hendrik snikkend, “tegen de tijd dat ik terug ben, zal ze allang gestorven zijn.”

Kleine-dappere-Hendrik-(1)-Moeder-ziek-Berg

“Maak je daarover geen zorgen. Zolang jij op zoek bent naar de levensplant, zal je moeder niets nodig hebben tot jij weer terug bent, ze zal in precies deze zelfde toestand blijven waarin jij van haar weggaat. Bedenk wel dat je heel wat gevaren te trotseren krijgt en veel te verduren, vooraleer je de levensplant zult kunnen plukken. Ik wens je veel goede moed en veel doorzettingsvermogen – je zult beide hard nodig hebben.”
“Bang ben ik nergens voor, Madame, aan moed en volharding geen gebrek. Zeg me wel hoe ik de plant kan herkennen tussen al de andere die er op de top van de berg groeien en bloeien.”
“Als je op de top bent, vraag je dat aan de Doctor die belast is met de zorg voor de plant, en vertel hem dat ik je gestuurd hebt, en hij zal je zeker een takje van de levensplant geven.”
Hendrik kuste de hand van Goede Fee en dankte haar voor haar wijze raad. Met pijn in het hart nam hij afscheid van zijn moeder, overlaadde haar met kussen, stopte wat droog brood in de zak van zijn jasje en ging de deur uit.
Goede Fee schonk hem ter afscheid, op de drempel van het huisje, nog een bemoedigende glimlach. Ze vond hem zo’n lief kind, zo’n dapper kind ook, dat een zo levensgevaarlijke, onherbergzame berg op wilde klimmen waarvan de top nog nooit door iemand was bereikt, om een levensreddende plant te halen voor zijn doodzieke moeder.


2

In het eerste hoofdstuk van dit verhaal, was Dappere Hendrik welgemoed op pad gegaan om de top van de hoge, onherbergzame berg, vlak voor hun huis, te bereiken, waar hij de levensplant zou kunnen vinden – met het sap van de plant zou hij zijn stervende moeder kunnen genezen. Dat had Goede Fee hem toch beloofd.
De berg leek Hendrik veel verder van het huisje vandaan dan hij altijd gedacht had. Hooguit een halfuurtje zou hij erover doen – zo had het hem geleken – maar na een hele dag flink doorstappen, had hij nog niet eens de voet van de berg bereikt.
Toen hij zo ongeveer twee derde van de weg had afgelegd, zag Hendrik een kraai die gevangen zat in een strik die een of andere pesterig jongmens voor hem daar gespannen had. De arme kraai probeerde zich uit alle macht te bevrijden, maar hij deed zichzelf daar meer pijn mee dan dat hij zich kon losmaken. Hendrik stapte erop af, sneed de draad door waarmee de kraai gevangen wat, en zorgde er zo voor dat het dier zijn vrijheid terugkreeg. De kraai stond op het punt van zijn herwonnen vrijheid gebruik te maken, maar eerst wilde hij nog iets zeggen tegen Hendrik:
“Je bent enorm bedankt, Hendrik, we komen elkaar nog weleens tegen.”
Hendrik was wel heel verrast dat de kraai praten kon, maar lang stond hij er niet bij stil; er moest immers flink doorgestapt worden.
Toch moest hij op een gegeven moment eventjes rusten. Hij vond een plaatsje bij een struik die wat schaduw en beschutting bood, en daar at hij een stuk droog brood. Maar van even bijkomen was geen sprake, want plots zag hij een haan voorbijrennen die achtervolgd werd door een vos, die uiteraard zeer verlekkerd was op dit onverwachte hapje. De paniekerige haan scheerde vlak langs Hendrik voorbij, maar deze was hem te vlug af, pakte hem beet, en verstopte hem onder zijn jasje, zonder dat de vos ook maar iets in de gaten had, en die vervolgde natuurlijk de achtervolging, in de veronderstelling dat de haan nog steeds voor hem uit liep. Hendrik hield zich ondertussen muisstil, en pas toen de vos uit het zicht verdwenen was, liet hij de haan los en deze zei stilletjes
“Je bent enorm bedankt, Hendrik, we komen elkaar nog weleens tegen.”
Hendrik was niet eens meer verbaasd dat ook de haan in mensentaal sprak. Hij rustte nog wat en zette dan zijn reis voort. Nadat hij een heel eind in de richting van de berg gestapt had, zag hij een kikvors die bijna verslonden werd door een slang. De arme kikvors zat te bibberen van angst, was verlamd van schrik, kon zich niet uit de voeten maken. De slang rook zijn kans en kronkelde steeds dichterbij, zijn bek reeds wagenwijd open. Hendrik pakte een grote steen en smeet deze met grote handigheid precies in de openstaande bek van de slang, net op het moment dat deze de kikvors te grazen wilde nemen. Onmiddellijk sprong de kikvors weg, maar zei nog, net verstaanbaar voor Hendrik:
“Je bent enorm bedankt, Hendrik, we komen elkaar nog weleens tegen.”

VS OFFT 12

Het duurde nu niet lang meer voor Hendrik de voet van de berg had bereikt, of toch bijna, want tot zijn ontsteltenis zag hij dat er rond de berg een brede en diepe rivier stroomde, zo diep, dat je nauwelijks de overkant zag, en zo diep dat je al een zeer geoefend zwemmer moest zijn, en zwemmen kon Hendrik zelf helemaal niet. Daar moest hij allemaal eens goed over nadenken.
Misschien, dacht hij, is er ergens een brug, of een doorwaadbare plaats, of vind ik een boot. We zullen zien. Hij volgde de loop van de rivier helemaal rondom de berg, maar overal was zij even breed en even diep, en een brug of een boot, niks was er, helemaal niks. Hendrik zette zich op de oever en kon zijn tranen niet inhouden.
Goede Fee, Goede Fee,” riep hij luid, “help me! Wat voor nut heeft het me te vertellen dat er op de top van de berg een plant groeit die mijn moeder het leven kan redden, als er geen enkele mogelijkheid bestaat daar op die top te geraken!”
Hij had het nog niet gezegd, of de haan die hij tegen de vos in bescherming had genomen, verscheen aan de oever van de rivier. “Goede Fee kan niets voor je doen, Hendrik, over deze berg heeft zij niets te zeggen, maar jij hebt mijn leven gered en ik wil je graag mijn dankbaarheid tonen. Stap op mijn rug, en ik zal je veilig en wel naar de overkant brengen.”

800px-ségur,_nouveaux_contes_de_fées,_p791335607887..jpg

Hendrik aarzelde geen moment. Hij sprong op de rug van de haan, hij verwachtte halvelings dat hij in het water zou tuimelen, maar niets van dat al, er zat zelfs geen spatje nat op zijn kleren, en de haan hield zich zo struis, dat het net was of Hendrik stevig in het zadel op een paard zat, hield zich goed vast aan de kam van de haan, die aan de overtocht begon. Zo breed was de rivier, dat ze er eenentwintig dagen over deden vooraleer ze de andere oever bereikten, maar Hendrik was al die tijd geen moment in slaap gesukkeld en had nooit honger gehad of dorst.
Hij bedankte de haan allerbeleefdst, en deze schudde eens goed zij veren en verdween zonder verder nog iets te zeggen. Hendrik keek hem enige tijd na en draaide zich toen weer om naar de rivier, maar tot zijn grote verbazing, was er helemaal geen rivier te zien! Verdwenen, de grootste rivier die hij ooit met eigen ogen had gezien.
Hij dacht bij zichzelf: het is vast de genius van de berg die me heeft willen beletten dat ik hier bij de berg zou komen, maar met de hulp van Goede Fee denk ik dat ik toch in mijn missie zal slagen.


3

Hendrik stapte een heel eind, en deed er vele uren over, maar telkens als hij naar de berg keek, stelde hij teleurgesteld vast dat hij na op de rug van de haan de rivier te zijn overgestoken, eigenlijk nog geen meter vooruitgang had geboekt. Menigeen zou op zijn stappen zijn weergekeerd en zijn plannen hebben opgegeven, zoniet Dappere Hendrik, die zo vastberaden was, dat hij zich door niets of niemand, door geen enkele tegenslag, uit het veld zou laten slaan. Moe was hij zo stilaan wel, maar deze toestand weerhield hem er niet van eenentwintig dagen lang door te stappen, hoewel hij in feite geen enkele vooruitgang boekte sinds hij in het zicht van de berg vertrokken was.
“Al moet ik nog honderd jaar stappen,” zei hij luidop, “ik zal blijven gaan tot ik de top heb bereikt.”

“Wil je er dan zo graag naartoe?” zei een oude man, die er wat boosaardig uitzag en hem de doorgang op het smalle bergpad versperde. “En wat moet je daar dan?”
“De levensplant vinden, goede man, dan kan ik het leven van mijn moeder redden die op sterven ligt.”

800px-ségur,_nouveaux_contes_de_fées,_p9995024514..jpg

De oude man schudde zijn hoofd, rustte met zijn puntige kin op het gouden handvat van zijn wandelstok – hij was maar klein van stuk –, en zei na lange tijd in overpeinzing te hebben gestaan tegen Hendrik:
“Je gezicht staat me wel aan, jongeman, je zit vol goede bedoelingen, dat zie ik zo. Ik ben de genius van deze berg, en ik zal je doorgang geven, echter op voorwaarde dat je heel mijn oogst op je neemt, dat je de graankorrels scheidt, ze maalt tot meel, en er broden van bakt. Als je met dat karwei klaar bent, roep me dan. Alles wat je nodig hebt, ligt daar in die greppel, en de akker ligt voor je en strekt zich uit over heel de berg.”

Hendrik keek ontmoedigd naar de enorme akker die zich voor hem uitstrekte en naar het schamele gereedschap in de greppel. Maar eenmaal de eerste teleurstelling overwonnen, trok hij zijn jasje uit, pakte een sikkel en begon te maaien. Hij deed er honderd vijfennegentig dagen en nachten over.
Toen al het koren gemaaid was, begon Hendrik aan het dorsen met een erg oude dorsvlegel die hij tussen de spullen in de gracht had gevonden. Zestig dagen deed hij erover. En zo was hij inmiddels al tweehonderd zesenzeventig dagen verder sinds hij op weg was gegaan naar de top van de berg, de tocht over de verdwenen rivier nog niet mee gerekend. Dan zouden het er tweehonderd zevenennegentig zijn geweest.
Nog eens zeventig dagen had Hendrik nog om het gedorste graan te malen in een molen die plotsklaps uit het niets was opgedoemde. Hij was nu zo goed als een jaar bezig de top te bereiken.
Het kneden van en deeg en het bakken van de brode kostten hem nog eens honderd twintig dagen. Vierhonderd zevenentachtig was de stand. De broden zette hij keurig op planken als boeken in een bibliotheek.
Eindelijk riep hij vervuld van vreugde om het beëindigen van zijn opdracht, de genius van de berg. Deze verscheen onmiddellijk en telde de broden: vierhonderd en achtenzestig duizend driehonderd en negenentwintig! 468.329! De man brak her en der een stukje brood af, proefde het, en tikte Hendrik op de wang.
“Je bent een goeie jongen en ik zal je betalen voor je arbeid.”
Uit een zak van zijn lange jas haalde hij een klein houten doosje tevoorschijn, dat hij aan Hendrik gaf met de woorden:
“Als je weer thuis bent, open dan dit doosje en je vindt er de heerlijkste tabak in die je ooit hebt gezien.”
Hendrik was nu niet iemand die tabak gebruikte en het geschenk van de kleingestaltige genius kwam hem tamelijk nutteloos voor, laar hij was veel te beleefd om er een opmerking over te maken, en bedankte de oude man heel hoffelijk, alsof hij dolblij was met het geschenk.
De kleine oude man glimlachte, barstte in lachen uit en verdween, alsof hij er niet was geweest, net als eerder al de rivier.


4

Na zo’n anderhalf jaar druk doende te zijn geweest met de oogst van het graan, het dorsen, het malen, het bakken van honderdduizenden broden, en na even tot rust te zijn gekomen, zette Hendrik er weer stevig de pas in. Tot zijn grote opluchting bemerkte hij dat hij ditmaal flink opschoot, met elke stap die hij zette, kwam hij zichtbaar dichter bij de top van de berg, in drie uur tijd had hij zeker twee derde van de weg ernaartoe afgelegd. Maar plots echter stond hij voor een bijzonder hoge muur, die hij niet eerder had opgemerkt. Hij liep eromheen en na drie dagen stevig doorstappen, waarna hij weer op hetzelfde punt was gekomen, besefte hij dat de muur de hele berg omvatte en dat er nergens een toegangspoort was, zelfs niet de kleinste opening waar hij zich wellicht had kunnen doorwurmen.
Hendrik ging er even bij zitten om eens goed zijn situatie in ogenschouw te nemen. Hij besloot, tot slot, om geduldig af te wachten – veel geduld had hij daar wel voor nodig, maar liefst vijfenveertig dagen, en toen zei hij:
“Ik ga toch niet terug, al moet ik hier nog honderd jaar zitten wachten.”

Hendrik-IV-De-ontmoeting-met-de-reus

Hij had deze woorden nog maar nauwelijks uitgesproken, toen een stuk van de muur met veel lawaai afbrokkelde, en in de ontstane opening een enorme reus zag staan, dreigend zwaaiend met een wel erg grote knuppel. Met een diepe, zware stem snauwde hij Hendrik toe:
“Jij hebt er wel veel voor over om hier binnen te komen, vriendje, wat zoek je eigenlijk achter mijn muur?”
“Ben op zoek naar de levensplant, meneer de reus, want, ziet u, mijn moeder ligt op sterven, en als het dan toch in uw macht ligt om mij te laten passeren, dan ben ik bereid alles voor u te doen wat u me ook maar opdraagt.”
“Meen je dat? Wel, luister hier, je gezicht staat me wel aan. Ikzelf ben een van de géniën van deze berg – ik zeg altijd géniën, want een genie ben ik niet, wel een genius, maar je zegt toch niet: één genius, twee geniussen, begrijp je – en ik heb als de enige van allemaal een wijnkelder, want wat je hier ziet, al die wijngaarden zijn de mijne, en jij moet mijn kelder weer aanvullen. Dus ga gauw aan de slag met de druivenpluk, pers de druiven, doe het sap in de vaten en zet ze precies op de goeie plaatsen in de kelder. Daar,” wees hij, “ligt het gereedschap dat je nodig hebt, en als je klaar bent, dan roep je me maar.”
De reus verdween, sloot de muur achter zich, Hendrik keek om zich heen en zag niets anders, niets anders! dan de prachtig bloeiende wijngaarden die aan de reus toebehoorden.
Hendrik mompelde wat in zichzelf, in de trant van: als ik al dat koren heb kunnen oogsten en dorsen en malen en zoveel broden heb kunnen bakken, dan zal ik het ook wel voor mekaar krijgen om al die druiven van de reus te plukken, en het zal me minder tijd kosten om er wijn van te maken dan toen zoveel broden.”
Hendrik deed zijn jasje uit, pakte een snoeimes dat daar lag en begon aan de pluk, de druiven deed hij in manden, en hij klaarde de klus in dertig dagen, en toen zat er geen druif meer aan de struiken. Nog negentig dagen had hij nodig om alle druiven te persen en het sap in de vaten te gieten, en de vaten keurig op hun plaats in de kelder te plaatsen.
Tevreden keek hij rond. Hij had het geflikt. Hij riep de reus, die onmiddellijk voor hem stond, meteen de vaten inspecteerde en hier en daar wat wijn proefde:
“Jij bent een dappere jongeman en ik zal je betalen voor al het werk dat je hebt verricht. Nog nooit heeft er iemand gratis en voor niks gewerkt van de reus, de genius van deze berg.”
Hij haalde een fluitje tevoorschijn uit een zak van zijn jas en gaf het aan Hendrik:
“Zodra je over een tijd weer thuis bent, en je hebt iets nodig, gebruik dan dit fluitje.”
Erg onder de indruk was Hendrik niet van deze beloning voor het vele werk dat hij voor de reus had verricht, maar het een, wat gespeelde glimlach, nam hij het geschenk aan, maar niet voordat de reus zelf heel krachtig op de fluit geblazen had, zo krachtig, dat de berg ervan rammelde en de muur en de reus verdwenen zoals ze ook zo plotseling waren opgedoken.
De reus was al net zo in rook opgegaan als de rivier en de oude man met de lange wandelstok, alsof ze alleen maar in Hendriks dromen hadden bestaan.
Maar eindelijk kon Hendrik zijn reis voortzetten.


5

Nu leek in Hendriks zoektocht naar de levensplant toch vaart te komen; nog een halfuurtje, en hij zou de top van de berg kunnen bereiken, maar het mocht niet zo zijn. Ineens stond de de dappere jongeman – hij was immers al geen zeven jaar meer – voor een kloof, zo breed, dat zelfs hij er echt niet overheen kon springen om aan de andere kant te komen, en bovendien was de kloof ongelooflijk diep. De angst zou je van minder om het hart slaan. De moed verliezen was evenwel niet het levensmotto van Hendrik. Hij verkende de kloof, maar kon niet anders dan vaststellen dat deze de hele berg omvatte en dat hij weldra weer op het punt was aangekomen vanwaar hij vertrokken was.
“Wat nu gedaan?” verzuchtte hij. “Ik geraak ternauwernood over het ene obstakel, of daar doemt alweer een volgende voor me op. Hoe kom ik ooit deze kloof over?”
Het huilen stond hem, eerlijk gezegd, nader dan het lachen. Hij keek nog eens goed om zich heen of hij toch niet een mogelijkheid zag om over de kloof te komen, maar hij had geen enkele kans, en ging, een beetje ontmoedigd, zitten op de rand van de afgrond.
Plotseling hoorde hij een gehuil van vanjewelste. Hij keek achter zich en zag op nog geen tien stappen van hem vandaan, een grote wolf, die hem met vurige ogen stond aan te staren.
“Wat doet u in mijn rijk?” vroeg de wolf op dreigende toon.
“Meester Wolf, ik ben op zoek naar de levensplant voor mijn doodzieke moeder, die de dood nabij is, en de levensplant is het enige dat haar kan redden. Kunt u me helpen om over de kloof te geraken, ik zal in ruil u trouw dienen en u in alles gehoorzamen.”
“Wel, m’n jongen, als je voor mij al het wild wilt vangen dat hier in de bossen rondloopt, vogels en beesten, en er pasteien van wilt maken of ze wilt roosteren, dan zal deze genius van de Berg je naar de overkant brengen. Beloofd. Bij die boom daar ga je alles vinden wat je aan materiaal nodig hebt om het wild te vangen en te bereiden. Als je met dat karwei klaar bent, roep me dan.”
Hendrik zette zich niet bij de pakken neer, al leek hel deze opdracht haast onuitvoerbaar met al dat beweeglijke wild, dat zich ook nog eens goed kon verstoppen, of gewoon zomaar verdwijnen. Hij nam de pijl en boog die daar bij de boom lagen, en begon te schieten op patrijzen, houtsnippen, fazanten, en al het andere wild dat hij in het vizier kreeg en dat hij amper bij naam kende. Maar, helaas, ervaring in de jacht had hij niet, en alle pijlen die hij afschoot, misten hun doel, en het resultaat was dan ook, zelfs na enige tijd oefenen, volkomen nihil.
Zo ging dat een hele week verder. Al het afvuren van pijlen, naar links, naar rechts, was zinloos, Hendrik werd er wanhopig van en was ten slotte ook dood en dood moe. Toen bemerkte hij de kraai, wiens leven hij gered had in het begin van zijn queeste.
“Je hebt me lang geleden gered uit een dodelijk gevaar,” zei de kraai, “ en ik heb je toen gezegd dat we elkaar nog weleens zouden tegenkomen, en nu is het zover, en het is een uitgelezen kans om mijn belofte gestand te doen.” De kraai was goed ter tale. “Want stel dat je niet kunt waarmaken waartoe Wolf je gedwongen heeft, dan gaat-ie je in een vreselijk wild beest omtoveren. Kom dus met me mee. Zal ik gaan jagen, en jij hoeft dan alleen maar het geschoten wild bij elkaar te rapen en de pasteien en het gebraad klaar te maken.”
De kraai had het nog niet gezegd – en Hendrik kon zich niet voorstellen hoe het beestje dat zou aanpakken – of hij vloog boven de bomen uit van het bos, en met zijn bek en zijn klauwen doodde hij al het wild dat hij zag. Nu, dat nam wel even wat tijd in beslag, uiteindelijk was het maar een doodgewone kraai: honderd en vijftig dagen had hij nodig, maar dan lagen er ook één miljoen achthonderd en zestigduizend zevenhonderd en zesentwintig vogels en beesten, eekhoorns, knorhoenen, fazanten en kwartels aan Hendriks voeten. Hij plukte de veren, sneed ze in stukken en roosterde ze of maakte er pasteien mee. Toen hij met dat ontzagwekkende karwei klaar was – het is niet overgeleverd hoeveel dagen hij erover heeft gedaan – zei de kraai:
Adieu, Hendrik. Er staat je nu nog één obstakel te wachten, maar daar zal ik je helaas niet mee kunnen helpen. Verlies de moed niet; goede feeën nemen het altijd op voor zonen en dochters die een grote liefde voor hun ouders koesteren.”
Nog voor Hendrik de gelegenheid had de kraai te danken voor zijn onmisbare hulp, was het dier al verdwenen.
Er zat nu niets anders op dan Wolf te roepen, die in een oogwenk voor hem stond. “Meester Wolf, dit is al het wild uit uw bossen. Ik heb alles bereid zoals u het mij opgedragen had, en nu gaat u me toch helpen om over de kloof heen te komen, niet?”
Meester Wolf proefde van een fazant, nam een beet van een geroosterde eekhoorn, pakte een stukje pastei, likte daarbij zijn lippen af en zei:
“Dat heb je goed gedaan, m’n jongen, natuurlijk ga ik je belonen voor al de moeite die hebt moeten doen, want er is niemand die zal kunnen zeggen dat hij voor Wolf van de berg heeft moeten werken zonder ervoor beloond te worden.”
Hij sneed een grote tak af van een boom.
“Zodra je de levensplant hebt gevonden, en je wilt als de bliksem naar huis, of waar je ook heen wilt, stap op deze tak en de tak zal veranderen in een paard.”
Hendrik dacht er het zijne van en wilde tak al weggooien in de struiken, maar beleefdheid was een van zijn deugden, hij nam de tak glimlachend in ontvangst en dankte Wolf heel hartelijk.

Wolf-brengt-Hendrik-over-de-kloof

“Klim op m’n rug,” zei Wolf.
Dat deed Hendrik, en Wolf nam zo’n enorme aanloop en maakte zo’n reusachtige sprong, dat ze in een vingerknip aan de andere zijde van de kloof waren. Daar stapte Hendrik van Wolf af en wilde hem nogmaals heel heel hartelijk danken, maar natuurlijk was hij allang verdwenen, alsook de kloof, net als de rivier en de man met de wandelstok en de reus met knuppel…


6

Nadat hij van de rug van Wolf af gesprongen was, was deze dus plotsklaps verdwenen, net zoals het geval was geweest met de rivier, met de kleine oude man met de lange wandelstok, met de reus met de knuppel met de kloof… Hendrik moest er echt even van bekomen, alsook van de sprong over de toch wel heel grote kloof. Echt bang was hij geen moment geweest, maar je weet natuurlijk maar nooit. Terwijl hij om zich heen keek, zittend op een grote kei, zag hij overal groen, het leek hier wel een reusachtige tuin, vol sla leek het wel, en hierin moest dus de levensplant groeien. Hendriks hart sprong op van vreugde. Eindelijk was hij er! Maar wáár moet ik zoeken, zei hij na een tijdje bij zichzelf. Hij stond recht en begon te stappen, kijkend naar links, naar rechts, dichtbij, veraf, en hij stapte flink door. Wellicht had hij beter ook eens naar de grond gekeken, want plotseling viel hij in een gat. Hij schrok, was bang, keek angstig om zich heen; het enige wat hij zag, was een gracht waar water in stond, een brede en diepe gracht, en ook een lange, hij kon niet eens zien of en waar de gracht eindigde.
Dit moet het laatste obstakel zijn waar de kraai het over had, mompelde Hendrik bij zichzelf. Maar tot nu toe heb ik alles met de hulp van Goede Fee kunnen overwinnen, dus zal zij me nu ook wel een handje helpen, want wie anders kon het geweest zijn die me de haan, de kraai, de oude man met zijn lange wandelstok, de reus met de knuppel, en de boos kijkende wolf had gestuurd. Ik moet maar geduldig afwachten tot ze tijd heeft om me ook deze keer bij te staan.
Hendrik begon langs de gracht te stappen, nieuwsgierig of en waar de gracht zou ophouden. Twee dagen was hij onderweg, en toen bemerkte hij dat hij precies weer terug was op het punt vanwaar hij vertrokken was. Hendrik wilde niet wanhopen, wilde zich niet laten ontmoedigen, hij zei luidop, terwijl hij op de rand van de sloot ging zitten:
“Ik wijk geen centimeter van deze plek tot de genius van de Berg me deze gracht laat oversteken.”
Een enorme kat stond ineens voor hem nog voor hij uitgesproken was, en het beest miauwde zo ongelooflijk luid, dat een mens er bijna doof van werd. Kat sprak:
“Wat moet jij hier? Je beseft toch wel dat ik je in stukken zou kunnen rijten met één houw van mijn poten?!”
“Daar twijfel ik geen moment aan, meneer Kat,” antwoordde Hendrik laconiek – zoveel eigenaardigs was hij nu wel gewend geraakt – “maar ik weet zeker dat u dat niet zult gaan doen als ik u vertel dat ik op zoek ben naar de levensplant waarmee ik mijn moeder kan redden die op sterven ligt. Als u me toestaat uw gracht over te steken, zal ik alles doen wat u me opdraagt.”
“Zo!” zei Kat. “Is dat zo?! Luister dan goed, mannetje, het is dat je gezicht me aanstaat, dus maak ik het je niet al te moeilijk, maar er zit voor jou toch niks anders op dan dat je alle vissen in deze sloot vangt, ze inzout of ze bereidt, zodat ik me voor lange tijd geen zorgen hoef te maken over mijn dagelijkse hap. Als je klaar bent, roep me, en ik zet je aan de overkant, zowaar ik een kat ben en mijn naam meneer Kat is.”
Hendrik deed een paar stappen naar voor en zag vijslijnen liggen, en vishaakjes, en aas, en netten. Hij pakte een net en hoopte dat hij met één grote worp in één klap een héleboel vis zou kunnen vangen, veel meer dan met een vislijntje en een vishaakje. Hij wierp behendig het net in de gracht, haalde het op, niet te bruusk, maar helaas, gevangen had hij niets. Hij was danig teleurgesteld, en veronderstelde dat hij het niet op de goede manier gedaan had. Opnieuw wierp hij het net uit, haalde het nog behoedzamer binnen, maar weer was de vangst nihil. Zo ging het tien dagen aan een stuk door. Hendriks geduld was eindeloos, maar nu gaf hij het vangen van vis met net toch op en probeerde het met een vijslijn en een vishaakje. Een uur, twee uur, geen vis die beet, hij ging ergens zitten, steeds maar weer opschuiven, bijna de hele gracht rond, twee weken deed hij er over, geen enkele vis gevangen. Ten einde raad was hij, stilaan. Hij dacht dat Goede Fee hem in de steek gelaten had. Bedroefd zette hij zich neer, staarde naar de gracht, en zag plotseling dat het water heftig begon te borrelen en te kolken, en hij zag de kop van de kikvors boven het water uitkomen.
“Hendrik,” zei Kikvors, “je hebt me destijds het leven gered, en ik heb je toen gezegd dat we elkaar nog zouden tegenkomen, welnu, nu is het zover, nu kan ik eindelijk iets voor je terugdoen. Als je de orders van Kat niet uitvoert, eet hij je op bij zijn eerstvolgende ontbijt. Je zult nooit een vis vangen hier, want de gracht is hier zo diep, dat alle vissen zich naar de bodem laten zakken zodra ze gevaar bespeuren. Sta me toe dat ik je help. Maak een vuur klaar om de vis te koken en breng alles in gereedheid om vis in te zouten.”
Kikvors sprong terug in het water. Het water borrelde en kolkte meer en meer, het water maakte grote golven, alsof er diep in het water een ware veldslag werd geleverd. Weldra kwam Kikvors tevoorschijn, hij wierp op de oever een grote zalm die hij gevangen had. Hendrik kreeg amper de tijd om de vis klaar te maken, of daar was Kikvors alweer, nu met een vette karper, en zo ging dat zestig dagen lang verder, onvermoeibaar, en na deze twee maanden sprong Kikvors op Hendrik toe en zei:
“Er zit nu geen enkele vis meer in de gracht, je kunt meneer Kat roepen.”
Hendrik bedankte Kikvors allerhartelijkst, ze schudden elkaar hand en poot – die van Kikvors was kletsnat natuurlijk, maar dat deerde Hendrik in het geheel niet, integendeel – , en nu verdween ook Kikvors, net als alle anderen voor hem hadden gedaan die Hendrik uit de nood geholpen hadden.
Nog een week of twee had Hendrik nodig om alle vissen die hij bereid had, en de kleinere die hij ingezouten had, netjes te sorteren en bij elkaar te leggen. Toen riep hij Kat, die onmiddellijk kwam.
“Meneer Kat,” zei Hendrik, “hier is mijn hele visvangst voor u. Het is nu aan u om uw belofte te houden en me naar de overkant van de sloot te brengen.”
Kat proefde hier en daar van de vis, zowel van de bereide vis als van de ingezouten exemplaren, likte zijn lippen af, en zei al glimlachend:
“Dat heb je goed gedaan, mannetje, en je harde werk en je geduld zullen beloond worden. Want ze kunnen zeggen wat ze willen, wie voor Kat van de Berg werkt, krijgt zijn loon!”
Daarop trok Kat een klauw van een van zijn poten en gaf die aan Hendrik: “Voel je je ooit ziek, of vind je dat je te oud aan het worden bent, wrijf dan met deze klauw over je voorhoofd, en ziekte, en het lijden dat de ouderdom met zich meebrengt, verdwijnen op slag. Het is een miraculeuze klauw, en je kunt ze gebruiken voor al van wie je houdt en voor al wie van jou houdt.”
Hendrik bedankte Kat uit de grond van zijn hart, nam de kostbare klauw en wilde de magische kracht ervan meteen uitproberen, want hij voelde zich pijnlijk vermoeid, en nauwelijks had hij zijn voorhoofd met de klauw beroerd, of hij voelde zich weer zo fris als een hoentje.
Kat glimlachte. “Zet je op mijn staart,” zei hij.

Hendrik gehoorzaamde. Nauwelijks zat hij op de staart of deze begon langer en langer te worden tot hij de overkant had bereikt, en daar sprong hij van de staart af op de andere zijde van de gracht. Hendrik keek nog even naar Kat, om gedag te wuiven, maar die was natuurlijk – met gracht en al – al net zo snel verdwenen als de rivier, als de oude man met de lange wandelstok, als de reus met de knuppel de wolf en de kloof…


7

Nu meneer Kat dan toch ineens verdwenen was, had het weinig zin meer om nog te proberen hem van de andere zijde van de kloof – die er trouwens – o, raadsel – ook niet meer was! – gedag te wuiven. Hendrik liep eerlijk gezegd ook liever meteen de tuin vol groen in waar de levensplant te vinden moest zijn. Het was nog geen honderd stappen. Een kleinigheid voor Hendrik zolangzamerhand. Hij was wel wat benauwd dat hij toch nog door een volgend obstakel gedwarsboomd zou worden, maar gelukkig was dat niet het geval en leek zijn queeste nu toch aan haar einde te zijn gekomen.

De poort naar de tuin stond open, de tuin zelf bleek minder groot dan Hendrik gedacht had, maar er groeiden – helaas – een ongelooflijk groot aantal planten, allemaal verschillende. Hendrik herkende geen enkele soort, en vroeg zich, stilaan wanhopig af hoe hij in hemelsnaam tussen al die planten de levensplant zou kunnen vinden.
Op tijd schoot hem te binnen dat Goede Fee hem gezegd had, dat als hij de top van berg bereikt zou hebben, hij de Doctor moest roepen, de man die de tuin van de feeën beheerde en onderhield. Hendrik riep hem, met luide stem. Onmiddellijk hoorde hij geruis in het gewas vlak bij hem, en hij zag een man, klein van stuk, een dik boek onder zijn arm, een uilenbril op zijn kleine haakneus, en gehuld in de ruimhangende zwarte mantel van een echte Doctor.

old_french_fairy_tales_0119-675828330.jpg

“Waar ben je naar op zoek, jongeheer?” vroeg de Doctor op deftige maar krassende toon. “En hoe ben je erin geslaagd helemaal tot hierboven te geraken?”
“Doctor, ik kom van Goede Fee, en zij heeft me gezegd dat ik aan u mocht vragen naar de levensplant, een takje zou al genoeg zijn om mij stervende moeder te redden, zei ze.”
“Al wie van Goede Fee komt,” antwoordde de Doctor, terwijl hij plechtstatig even zijn hoed afnam, “is hier hoogst welkom. Kom, jongeheer, ik breng je naar de plant waar je al zo lang naar op zoek bent, en waarvoor je zoveel hindernissen hebt moeten nemen.”
Dat wist hij dus allemaal!
De Doctor verdween in de volgegroeide tuin en Hendrik kom hem ternauwernood volgen, de Doctor was immers nogal klein en Hendrik kon hem soms niet eens zien tussen al het hoog opschietende gewas, maar eindelijk waren ze er, bij de levensplant. De Doctor haalde een klein snoeimesje uit een van de zakken van zijn zwarte mantel, en sneed behoedzaam een takje van de plant.
“Neem dit takje mee, en volg de instructies op die Goede Fee je ongetwijfeld gegeven heeft, en zorg ervoor dat je het niet verliest, want als dat gebeurt, dan verdwijnt het in het niets en je zult het nooit van je leven nog kunnen terugvinden.”
Hendrik wilde de Doctor heel heel hartelijk bedanken, maar de kleine wijze man was allang verdwenen en nergens meer te bekennen, net zoals het geval was geweest met de rivier, en de man met de grote wandelstok, en de reus met de knuppel, en met de kat, en met de gracht, en met de kloof… En nu stond Hendrik daar helemaal alleen.

Hoe kom ik thuis? vroeg hij bij zichzelf af, denkend aan de ongelooflijk lange tijd die al voorbijgegaan was sinds hij thuis vertrokken was. En stel je voor dat ik op mijn terugweg dezelfde obstakels ga tegenkomen die ik op de tocht hiernaartoe heb moeten overwinnen, gewis dat ik dan de plant ergens kwijtraak, alles is dan tevergeefs geweest en Moeder zal uiteindelijk dan toch nog sterven.
Toen herinnerde hij zich de stok die Wolf hem gegeven had. “Laten we eens zien wat daar allemaal van waar is,” zei Hendrik luidop. “Zou die stok mij echt naar huis kunnen brengen?” Hij stapte op de stok en wenste zich naar huis. Op hetzelfde moment voelde hij dat hij omhoog ging, de lucht in, en met de snelheid van het licht door het luchtruim racete en bijna op hetzelfde moment aan Moeders bed stond.
Hij omhelsde haar, maar zij zag hem niet, hoorde hem niet, herkende hem niet. Hendrik verloor geen seconde, pakte de tak van de levensplant, drukte er een druppel sap uit en liet deze op de lippen van zijn moeder vallen. Op hetzelfde moment opende Moeder haar ogen, en sloeg haar armen om Hendrik heen.
“Mijn lieve Hendrik, wat ben ik ziek geweest, maar nu voel ik me helemaal genezen, ik heb zelfs honger en zin om iets te eten, maar, m’n jongen, wat ben je groot geworden, hoe kan dat nu, je bent maar een paar dagen weggeweest?!”
Hendrik glimlachte; zijn moeder moest eens weten. Natuurlijk was Hendrik in die vele dagen en weken en maanden – om precies te zijn twee jaar, zeven maanden en zes dagen – groter en ouder geworden, en door wat hij allemaal had meegemaakt en had moeten overwinnen, was hij bovendien ook niet meer de kleine brave Hendrik, maar Dappere Hendrik. Geen broekventje meer.

Er waaide een venster open en daar stond Goede Fee in de kamer, en zij vertelde aan Moeder wat haar Hendrik allemaal had gedaan en hoe moedig en volhardend hij was geweest. Hoe hij was gegroeid. Het was een ontroerend verhaal, waar Hendrik zelf bij bloosde en Moeder overstelpt werd door tranen van geluk.
“Wel, Hendrik, je kunt nu de geschenken van de oude man met de lange wandelstok en van de reus met de knuppel gaan gebruiken.”
Hendrik nam het kleine doosje uit zijn zak en opende het, en onmiddellijk kwam er een ploegje werkmannen uit, het leken kabouters, die in een mum van tijd een prachtig huisje bouwden, en het inrichtten, met een mooie tuin rondom, een stuk bos, en een weide.
“Dit alles is nu van jou, Hendrik,” zei de fee. “En met het fluitje dat de reus je gegeven heeft, kun je alles hebben wat jullie nodig hebben. Maar blijf jezelf, blijf bescheiden. En je weet het al, de stok van Wolf brengt je naar waar je maar wilt, en de klauw van Kat?… Daar behoud je je gezondheid mee, en je jeugd, en ook die van je moeder. Nu moet ik ervandoor, Hendrik. Adieu! Wees gelukkig!”

Gelukkig werden ze, Hendrik en zijn moeder. Met de geschenken die hij tijdens zijn zware klim naar de top van de toverberg had gekregen, konden hij en zijn moeder in hun behoeften en wensen voorzien.
Misschien was het wel al te mooi om waar te zijn, en wat doe je, als je niets meer te wensen hebt? Maar het moet gezegd, overdrijven deden ze nooit.

Einde


Bronnen: Franse tekst. Engelse tekst.
Illustraties: De gravures zijn van de hand van Gustave Doré. De laatste (kleuren-) illustratie is van Virginia Frances Sterrett (1900–1931). Van de overige heb ik geen illustrator kunnen achterhalen. Alle illustraties komen van Wikipedia en/of Wikemedia Commons.

© 2018 Rob Vanderwildt voor deze Nederlandse vertaling.

Het eerste hoofdstuk verschijnt als podcast op donderdag 14 juni, het laatste op donderdag 26 juli.