Vrouwtje Mus en de afgeknipte tong

800px-Hokusai_Pair_of_sissors_and_sparrow

Er leefde eens, hoog in de bergen, ergens in het oude keizerrijk Japan, een al wat oudere man, samen met zijn nog oudere vader, voor wie hij met liefde zorgde, hoewel dat niet vanzelfsprekend was. De oude man en de vader verschilden immers nogal sterk van karakter en temperament. De oude man was een vriendelijke mens, blij van hart, een die kordaat de armen uit de mouwen stak als het op werken aankwam. Zijn vader daarentegen was een wat verzuurde, echt oude man, inhalig, kribbig, knorrig, ondankbaar, en met zijn gemopper en soms ook gevloek, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, bedierf hij de sfeer in het huisje waar hij en zijn zoon, die toch niet meer van de jongsten was, en juist behoefte had aan af en toe een vriendelijk woord, woonden. Maar de zoon had stilaan geleerd zich niet te veel meer aan te trekken van zijn onvriendelijke vader, en overdag was hij toch aan het werk, buiten op het veld, en als hij thuiskwam, was het eerste wat hij deed, zich bezighouden met het tamme musje dat hij een tijd verzorgd had, nadat hij haar gewond had aangetroffen onder aan een struik. Hij was dol op het vogeltje, voor hem was het net alsof zij zijn kind was, van zichzelf had hij er geen, getrouwd was hij wegens de zorg voor zijn behoevende vader, niet geraakt. En het vogeltje had op haar beurt niet meer willen weggaan. De man noemde haar teder: Vrouwtje Mus.
Hij babbelde met haar, vertelde wat hij tijdens het werken buiten had gezien en gehoord en meegemaakt. Hij leerde haar allerlei kunstjes, en ze was daar snel en vaardig in. Het leukst vonden de oude man en het musje het, als hij het kooitje openzette en zij vrij kon rondvliegen, op zijn schouder kon gaan zitten, en tsjilpen van plezier. Als later op de avond het eten op tafel stond, at het musje gezellig mee.
De vader van de oude man vond het maar niks, dat gedoe met dat stomme vogeltje, hij vond het een doodzonde bijna dat er zoveel tijd en aandacht aan dat scharminkel werd besteed, en dat het nog volop te eten kreeg ook. Dat moest toch veel kosten, meende hij. Gierig was de man ook. Aan al dat getsjilp had hij bovendien een gruwelijke hekel gekregen, het werkte danig op zijn zenuwen, hij wenste dat het vogeltje op een dag zou wegvliegen en nooit meer zou terugkeren. Hij bedacht ineens, dat hij daar eigenlijk zelf wel voor zou kunnen zorgen. Dus toen op zekere dag zijn zoon in de vroege morgen naar de velden vertrokken was, zette hij het kooitje open en moedigde het musje aan eruit te komen, maar het musje, dat op haar beurt ook een hekel had aan die oude verzuurde man, vertrouwde het niet en bleef rustig, zij het met kloppend hartje, op haar stokje zitten, en ze probeerde zich uit deze netelige situatie te redden door een buiginkje te maken, zoals ze van haar baasje had geleerd, en te twitteren dat als ze iets verkeerds had gedaan, of de man haar dan wilde vergeven. Dat wilde de man natuurlijk niet, hij kreeg het door haar gevlei nu helemaal op zijn heupen, stak een magere, bevende hand in het kooitje, greep het musje beet, dat zich waardig en beleefd bleef gedragen, nam het mee naar de tafel waar een schaartje lag, en knipte daarmee het kleine tongetje van Vrouwtje Mus af.
Dat deed pijn, maar zelfs een au kon ze niet meer tsjilpen. De oude man was tevreden, wreef zich van satanisch genoegen in zijn handen; nu zou hij geen last meer hebben van dat kleine kreng, van dat vieze vogeltje, en toen Vrouwtje Mus, een en al verdriet, het huisje uitvloog, danste de verzuurde vader in de rondte, voorzover zijn oude zwakke benen dat tenminste nog konden. Daar ben ik mooi vanaf, zei hij bij zichzelf. Het interesseerde hem geen zier of “Vrouwtje Mus” – en er lag veel sarcasme in zijn stem toen hij haar naam opzettelijk hardop uitsprak – het wel zou overleven, hoe het met haar zou aflopen.

Laat in de namiddag kwam de zoon, vermoeid van het harde werken op het veld, thuis, en verheugde zich er al op dat hij zijn Vrouwtje Mus weer zou zien en met haar zou kunnen babbelen, maar ook al kwam hij nu dichter en dichter bij huis, hij hoorde haar getsjilp en getwitter niet. Dat stelde hem teleur, maar hij was nog eerder bang dat haar iets ergs overkomen was. Hij versnelde zijn pas, schopte op de veranda zijn slippers uit, stapte het huis binnen, geen Vrouwtje Mus te zien! “Waar is ze, waar is Vrouwtje Mus,” riep hij naar zijn vader die in zijn schommelstoel zat te dommelen. Eerst deed deze nog of hij niets gehoord had, maar uiteindelijk zei hij: “Die mus van jou? Heb geen idee, heb haar de hele namiddag niet gezien. Had je het kooitje laten openstaan misschien? Dat ondankbare kreng zal wel weggevlogen zijn, terwijl jij al zo lang zo goed voor haar gezorgd hebt, arme jongen.”
De oude man, de zoon, nam met die uitleg geen genoegen en bleef bij zijn vader aandringen. Dat hij gewoonweg wel móést weten wat er gebeurd was, want hij was hier toch heel die tijd in huis gebleven. Of niet soms?! De oude vader werd bang van de toon van zijn zoon, een toon die dreigend werd, en ten slotte biechtte hij alles op. Dat hij het op zijn heupen had gekregen van dat stomme vogeltje, zenuwachtig was geworden van haar getsjilp en getwitter, dat hij haar uit razernij uit haar kooitje had gehaald en met het schaartje haar tongetje had afgeknipt, en dat zij daarop weggevlogen was. “Hier ligt het,” zei hij tot slot, en hij wees ernaar, het lag op de tafel, het tongetje waarmee Vrouwtje Mus al die tijd zo vrolijk had getwitterd en getsjilpt. De tranen stonden de oude man – nee, niet de vader – in de ogen.
“Hoe kon u zo wreed zijn, vader?” was alles wat hij kon uitbrengen. Hij was te goedaardig om tegen zijn vader uit te vliegen, laat staan hem kwaad te doen, maar hij was woedend, vanbinnen, en zo verdrietig om wat er met zijn Vrouwtje Mus was gebeurd. Wat moet ze zonder tong, vroeg hij zich in gedachten af, zijn vader negerend, nu kan ze niet meer tsjilpen, niet meer twitteren, en het moet heel erg veel pijn doen, ze gaat zeker doodgaan, wat kan ik doen? De tranen biggelden over zijn wangen, en terwijl zijn vader al in bed lag, veegde hij ze weg met de mouw van zijn kimono, en besloot om zijn Vrouwtje Mus de volgende dag al te gaan zoeken.

De volgende morgen stond hij extra vroeg op, de zon was amper opgekomen, nam een snel ontbijt, bekommerde zich voor het eerst van zijn leven niet om zijn vader, en trok de heuvels in, door de bossen, en stopte bij elk bamboebosje, want hij wist dat dat de lievelingsplekken van mussen waren. “Waar zit je, Vrouwtje Mus zonder tong? Waar ben je?” riep hij telkens.
Pas in de late namiddag stond hij voor het grootste bamboebos dat hij die dag had gezien, en jawel, hij zag het meteen, daar op een bamboestengel vooraan zat zijn Vrouwtje Mus, en ze verwelkomde hem. De man kon van vreugde zijn ogen nauwelijks geloven, en rende naar haar toe. Zij boog haar kleine hoofdje en liet haar baasje van vroeger een paar van de kunstjes zien die hij haar had aangeleerd. De oude man was stomverbaasd toen hij zijn Vrouwtje Mus hoorde praten, maar ze opende haar bekje en de oude man zag dat er een nieuw tongetje was gegroeid. Hij zei haar hoe erg hij het vond wat haar was overkomen door toedoen van zijn vader, maar ze antwoordde dat hij niet bij het verleden moest blijven stilstaan; voor haarzelf was het immers ook voorbij. De oude man begreep dat zijn Vrouwtje Mus geen gewoon vogeltje was, maar een sprookjesfee, zo mooi ook was ze gekleed, en ze vroeg hem mee te komen naar haar woning, en daar aangekomen viel de oude man van de ene verbazing in de andere. Het huis was een prachtig bouwsel van wit hout, de matten op de vloer waren van prachtige pastelkleuren, en de kussens waarop hij mocht plaatsnemen waren gemaakt van de fijnste zijde, afgewerkt met een mooie, dure stof. Het interieur van elke tokonoma was met zorg en fijnzinnige smaak ingericht. De oude man dacht: ik mag haar geen Vrouwtje Mus meer noemen, ik zal haar maar aanspreken voortaan met Vrouwe Mus. In het allermooiste vertrek nodigde zij hem uit plaats te nemen, ze bedankte hem opnieuw voor de jaren goede zorgen die hij haar had gegeven en voor het heerlijke gezelschap.

Kort daarop kwam heel de familie van Vrouwe Mus binnen. Ze waren allen al even fijn gekleed, ze brachten schalen overladen met heerlijke gerechten, en de dochters van Vrouwe Mus dansten gracieus de suzume-odori, ofwel de Musjesdans. De oude man dacht dat hij droomde. De uren vlogen voorbij, het werd steeds donkerder, het leek hem de hoogste tijd om weer naar huis, naar zijn oude vader te gaan, die nu helemaal alleen zat en niet wist waar zijn zoon uithing. Boos zou hij wel zijn, maar dat deerde de oude man niet meer. Hij beleefde de mooiste avond van zijn leven, en dat kon door niemand meer worden stukgemaakt. Hij zei het tegen Vrouwe Mus, dat hij moest vertrekken; zij wilde hem overhalen om nog wat te blijven en eindelijk eens te genieten, maar de oude man was plichtsbewust en hield voet bij stuk. Ze drong niet meer aan, maar liet door haar bedienden wel twee grote manden brengen, een grote mand en een kleinere. “Ik wil u heel graag een geschenk meegeven,” zei ze, “en u mag zelf kiezen welke mand u wilt.” – “Och, dat is geen moeilijk keuze,” antwoordde hij al lachend. “Ik ben al blij dat ik nu weet dat het goed met u gaat, en ik ben te oud en mijn benen zijn te zwak om die grote mand te dragen, geef mij de kleinere maar.” En zo geschiedde. Ze namen hartelijk afscheid, de oude man beloofde nog vaak langs te komen. Vrouwe Mus had medelijden met de oude man, die nu weer moest gaan zorgen voor die nare, kwaadaardige vader van hem.

3e3aa1a6-4e1c-407e-a517-ddc4d0ea2476-1740120995.jpg

Met de mand op zijn rug trok de oude man echter goedgezind op huis aan, waar inderdaad een boze vader hem opwachtte. “Waar heb je al die tijd gezeten?!” vroeg hij op kwade toon. “Hoe kom je zo laat? Niet gezien hoe donker het al is?” De zoon had de mand ondertussen op de vloer gezet, vertelde wat hij had meegemaakt, negeerde de kribbige woorden van zijn vader en vroeg hem daarentegen om te helpen de mand open te maken. De vader protesteerde dit keer niet; zijn hebberige nieuwsgierigheid overwon altijd alles. Tot beider grote verbazing vonden ze in de geopende mand, tot aan de rand gevuld, een schat aan edelstenen, juwelen, smaragden, gouden en zilveren muntstukken… De zoon was dolblij. “Dank u, mijn lieve kleine mus,” riep hij uit, “nu hoef ik niet meer uit werken te gaan, en kan ik de laatste jaren van mijn leven onbekommerd tegemoet zien.”
De zure vader dacht er anders over. “Wat een onnozelaar ben jij toch,” zei hij tegen zijn zoon. “Waarom heb je de kleine mand gevraagd, en niet de grote; daar had vast veel meer nog ingezeten. Oude dwaas die je bent!” De zoon had er al spijt van dat hij het over twéé manden had gehad waarvan hij er één had mogen kiezen, voor hem was dit geschenk meer dan genoeg, maar de vader stond de volgende morgen heel vroeg op, en met een stok in de hand voor wat steun, volgde hij de weg die zijn zoon hem had uitgelegd. Bij het bamboebos aangekomen, zag hij het musje zitten waarvan hij het tongetje had afgeknipt, en hij geneerde zich geen moment. Brutaalweg zei hij: “Je hoeft mij geen kunstjes te vertonen, ik ben hier omdat die onnozele zoon van mij de kleine mand gekozen heeft, en nu kom ik de grote halen.” Iedereen uit de entourage van Vrouwe Mus schrok van de brutaliteit van de oude vader, maar zijzelf was een voorkomende, wijze vogel, en gaf haar bedienden de opdracht de grote mand te brengen.
Zonder verder nog iets te zeggen nam de vader de zware mand op zijn rug en vatte de terugtocht aan. Maar het was zwaar, te zwaar. Steeds vaker moest hij langs de kant van de weg gaan zitten om weer op adem te komen, en na een tijd kon hij niet meer. Hij kon ook zijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen, en toen hij weer eens ging zitten om uit te rusten, opende hij de mand… Hij verwachtte dat een glinsterende schat hem zou verblinden, maar van dat alles zat er niets in de mand, in plaats daarvan schoten er vele demonen te voorschijn, de ene nog lelijker en schrikaanjagender dan de andere. De oude vader sloeg in paniek met zijn stok om zich heen, en raakte daarbij de demonen, die van de weeromstuit in de mand terugvielen. Toen zette hij het op een lopen, voorzover je dat op een lopen zetten kon noemen. Thuisgekomen viel hij uitgeput op de vloer neer en vertelde zijn zoon wat er gebeurd was, en vervloekte dat kleine kreng van een mus.

“Nee, vader,” weersprak de zoon hem ferm. “Geef niet Vrouwe Mus de schuld, maar uzelf. Het is uw eigen kwaadaardigheid die ‘beloond’ is met uw ontmoeting met uw demonen. Het is goed dat u ze nu zelf hebt neergeslagen.” De vader wist daarop niets te zeggen, in stilte keek hij terug op zichzelf, hij zag wat zijn zoon bedoelde, en kon niet anders dan hem gelijk geven. Het was berouw dat hij nu voelde, geen boosheid meer. Vanaf dan werd hij, tot verbazing van zijn zoon, een steeds vriendelijker man, die samen met zijn al even vriendelijke zoon nog een aantal jaren een mooi, harmonieus en onbekommerd leven leidde, en samen bedankten ze geregeld in hun huistempeltje hún Vrouwtje Mus.


De ontwikkelingspsychologen Erik en Joan Erikson waren ervan overtuigd dat je in de laatste fase van je leven als taak hebt om met jezelf in het reine te komen. Af te rekenen met je demonen van vroeger. Als dat lukt, beleef je een mooie oude dag, lukt het niet, dan wordt je oude dag een zware opgave.

Bronnen:
Allan B. Chinen, In the Ever After. Fairy Tales and the Second Half of Life. 1989: Chiron, Wilmette.
Allan B. Chinen, Nog lang en gelukkig. Sprookjes en de tweede levenshelft. Cahiers Ouderdom en Levensloop. 1996: Houten/Diegem, Bohn Stafleu Van Loghum.
Allan B. Chinen: Once Upon a Midlife. Classic Stories and Mythic Tales to Illuminate the Middle Years. 2003.
Andrew Lang, ‘The Sparrow with the Slit Tongue’ in: The Pink Fairy Book. 1897: Longmans, Green, Londen.
Yei Theodora Ozaki, The Tongue-Cut Sparrow. Japanese Fairy Tales. Zhingoora Children Classics. [z.d.]

Bovenste illustratie:
Katsushika Hokusai (1760-1849).
Beide andere illustraties zijn van het internet geplukt; de namen van de makers heb ik niet kunnen achterhalen.

© 2018 Rob Vanderwildt voor deze Nederlandse bewerking.