Oude man verlost van hangwang

the_old_man_who_lost_his_wen_by_mishaaine-d427f3l

Vele, vele jaren geleden leefde er een brave oude man, die een hangwang had zo groot als wat voor ons een tennisbal is. Het uitwas zat aan de linkerkant van zijn gezicht, dat erdoor ontsierd werd. Heel erg zelfs.
De man was in zijn jeugd een knappe verschijning geweest, een populaire jongeman, graag gezien bij de meisjes, en het viel hem nu op latere leeftijd eens zo zwaar dat hij er verminkt uitzag en bij menigeen zelfs afkeer opriep. Vandaar dat hij al jaren van alles en nog wat had geprobeerd om ervan af te geraken, van die hangwang – door heel het land had hij dokters en kwakzalvers geraadpleegd, wat hem een lieve duit had gekost, maar nooit was hij er ook maar iets mee opgeschoten. Integendeel, het uitwas bleef groeien en was op den duur zo groot als heel zijn gezicht, het was zinloos er nog tegen te vechten, dat zag de oude man stilaan wel in, en tot slot verzoende hij zich met zijn lot, wat zijn stemming, merkwaardig genoeg, deed verbeteren. Niet dat hij ermee kon lachen, maar eronder gebukt ging hij toch ook niet meer. Althans niet echt meer.

Op een dag was het vuur in de keuken uitgegaan en de vrouw van de oude man stond erop dat hij stante pede hout ging halen uit het woud. Hij pakte meteen zijn bijl en vertrok. Het was een heerlijke herfstdag, de oude man genoot van de frisse lucht en de geur van een bos in de herfst, van de kleuren van een bos in de herfst, haast om terug naar huis te gaan had hij eigenlijk niet. Op zijn gemak zocht hij hout dat geschikt was voor het vuur in de keuken, hij kapte wat hier en daar, en had na een tijd best wel genoeg om naar huis te gaan, maar hij talmde tot de duisternis er begon aan te komen, pas toen zette hij de pas erin, huiswaarts.
De oude man was nog niet echt ver geraakt, toen donkere wolken zich samenpakten en het begon te stortregenen, het was geen buitje dat gauw zou overgaan, de oude man zocht een plekje om te schuilen, maar er was zelfs geen kolenbrandershutje te ontwaren. Maar dan zag hij een holle boom met een grote spleet, waar hij met gemak in zou kunnen, en dat lukte ook, hij kon zelfs wat hoger gaan zitten, wat verder van de grond af, dat was toch wat droger, en nu hoopte hij maar dat het gewoon even een bui zou zijn en het weldra zou opklaren. Maar dat was niet zo, integendeel, het begon steeds heviger te regenen, en zelfs te donderen en te bliksemen, het leek of de lucht ging ontploffen, de oude man dacht nog: dit overleef ik nooit, dit is mijn einde, maar uiteindelijk nam het noodweer af en klaarde het langzaam op, er vielen weer zonnestralen op de bodem van het woud.
De oude man kreeg hoop, hij zag vanuit zijn schuilplaats hoe mooi de schemeravond was, en maakte aanstalten om uit de boom te kruipen, toen hij het rumoer hoorde van mensen die dichterbij kwamen. Even dacht hij dat het zijn vrienden en buren waren die hem kwamen zoeken, en hij verheugde zich er al op niet helemaal alleen naar huis te moeten gaan, maar toen hij uit zijn boom naar buiten keek, zag hij tot zijn grote verbazing dat het niet zijn buren en vrienden waren die hem kwamen zoeken, maar, zeker wel een honderdtal demonen, monsters, duivelachtige figuren, groot als reuzen, de een had ontstellend grote ogen, anderen absurd lange neuzen, of grote monden van oor tot oor. Wel hadden ze allemaal een hoorn op hun voorhoofd.
De oude man was zo geschrokken, dat hij van de weeromstuit van zijn verhoginkje tuimelde en de holle boom uitrolde. Gelukkig had geen van de demonen het gezien, de holle boom stond niet meteen in hun gezichtsveld. Hij krabbelde dan ook snel terug naar binnen, maar begon zich druk te maken over wanneer hij naar huis zou kunnen gaan, tot hij plots muziek hoorde die hem wel heel aangenaam in de oren klonk. Er was ook gezang, dat ongetwijfeld van de monsters moest komen. “Wat zijn die in hemelsnaam aan het doen? Het klinkt geweldig!” zei de oude man bij zichzelf, en hij piepte naar buiten. Tot zijn verbijstering zag hij dat het monster dat kennelijk de leider van het zootje ongeregeld was, zich uitgerekend tegen zíjn boom had geïnstalleerd, met al de anderen in een wijde halve kring om hem heen, en er werd gedronken en gedanst, er was overal eten en drinken, iedereen leek zich uitstekend te amuseren. Het toverde een lach op het gezicht van de oude man, hoe gek het er allemaal ook uitzag, of misschien wel juist daarom. “Nog nooit in mijn vele jaren zoiets bizars gezien,” mompelde hij. “Maar plezant is het wel!”
Zijn nieuwsgierigheid kon hij nauwelijks nog bedwingen en zonder het te willen, kwam hij zijn holle boom uit en bekeek het gezelschap. De leider van het allegaartje, die oni werd genoemd, nam net een slok sake uit een beker, terwijl hij naar iemand zat te kijken die aan het dansen was, maar hij vond het maar een waardeloze vertoning. “Stop ermee, asjeblieft” zei hij, “dat gedans van jou is stomvervelend. Is er nu niemand die, al is het maar een béétje beter kan dansen dan hij?”
Tja, de oude man was in zijn jonge jaren al dol op dansen geweest, en hij was er verdraaid goed in geweest, en zelfs nu, wist hij zeker, zou hij het er heel wat beter afbrengen dan dat monster, maar zou hij het er wel op wagen, als zijn dans die malloten niet zou bevallen, wie weet, zouden ze hem dan wel doden. Maar zijn angst werd al snel ingetoomd door zijn goesting om te dansen en inhouden kon hij zich niet langer dan hooguit nog een paar minuten. Hij deed een paar stappen naar voren en begon meteen te dansen. De gedachte dat als hij het niet goed zou doen dat hij dan misschien om zeep gebracht zou worden, was een extra drijfveer om zich van zijn allerbeste kant te laten zien.

De monsters waren aanvankelijk stomverbaasd dat een gewone sterveling aan hun rituele bijeenkomst meedeed, maar algauw sloeg hun stemming om in bewondering. “Heel bijzonder!” riep de leider uit. “Heb nog nooit iemand zo goed zien dansen. Het is echt formidabel.”
Toen de oude man gestopt was, bedankte de leider hem en nodigde hem uit met hen een beker wijn te drinken. De oude man nam nederig het compliment in ontvangst. “Ik had niet verwacht,” zei hij, “dat u zo opgetogen zou zijn, u had evenzogoed ontstemd kunnen zijn dat ik uw samenzijn met mijn dansen had verstoord.”
“O nee, geen sprake van,” antwoordde de leider, “u moet zelfs vaker voor ons komen dansen, u hebt ons er werkelijk een plezier mee gedaan.” De oude man dankte opnieuw en beloofde terug te komen.
“Morgen dan?”
“O ja, zeker.”
“U moet dan wel een onderpand achterlaten, opdat u uw woord gestand zult doen. Stervelingen zijn niet te vertrouwen.”
“Wat u maar wilt.”
“Wat zou de oude man het best kunnen achterlaten,” vroeg de leider aan de anderen
Een monster dat dicht bij de leider zat, fluisterde: “Het moet iets zijn dat voor de oude man heel erg belangrijk is. De oude man heeft een hangwang, zie ik. Stervelingen beschouwen zo’n hangwang als bron van voorspoed, dus neemt u de hangwang van de oude man zijn linkerwang, en hij zal morgen zeker terugkomen, want die hangwang wil hij zeker niet missen.”
“Goed idee,” zei de leider, waarop hij zijn behaarde arm uitstrekte en met zijn op een klauw lijkende rechterhand de hangwang van de oude man zijn linkerwang afhaalde zonder dat het pijn deed, het ging heel gemakkelijk, alsof je een rijpe pruim van zijn boompje plukt. Op hetzelfde moment was heel de schare demonen en monsters plotsklaps verdwenen!…

De oude man bleef in stomme verbazing achter. Hij wist even niet waar hij was. Het drong niet meteen tot hem door wat er was gebeurd. Onbewust voelde hij aan zijn linkerwang… Toen wist hij het weer. De hangwang was weg. Die akelige uitwas die jaren van zijn leven had vergald, was wég!! En het had geen centje pijn gekost; dat ook nog. Als een rijp pruimpje. Het idee alleen al. Nog eens gevoeld. Een huid zo glad als aan de rechterkant.
De zon was allang onder. De kersverse maan stond als een sikkel van zilver aan het firmament. De oude man besefte hoe laat het moest zijn en zette er de pas in naar huis. En onderweg de hele tijd maar voelen en voelen aan die linkerwang om maar te blijven geloven dat het allemaal echt waar was, echtgebeurd. Wat voelde hij zich gelukkig. Normaal stappen was er niet meer bij, bijna huppelend en dansend legde hij de weg naar huis af.
Thuis trof hij een ongeruste vrouw aan, die uiteraard geen vermoeden had waarom hij zo lang was weggebleven, maar wat was ze gelukkig toen hij haar liet zien dat zijn hangwang verdwenen was, dat aartslelijke ding, want ze had hem destijds zeker ook getrouwd omdat hij zo’n knappe man was, en met lede ogen en tot haar verdriet en ontgoocheling had ze de onstuitbare groei van de hangwang moeten aanzien.

Naast het nu zo gelukkige oude koppel woonde een vervelende, onaangename, zure mens, ook een oude man, die eveneens al jaren gebukt ging onder de aangroei van een uitwas aan zijn rechterkaak, en ook hij had tevergeefs van alles geprobeerd om ervan af te geraken. Hij had er zich nooit mee kunnen verzoenen. En nu hoorde hij het verhaal van zijn gebuur, dus klopte hij aan en vroeg hem hem alles te vertellen over zijn wonderbaarlijke “verlossing”. En de oude man vertelde hem alles, tot in de kleinste details, waarop de buurman laat de volgende namiddag op pad ging, de holle boom vond, zich daarin verstopte en de komst van de demonen en de monsters afwachtte. En tegen valavond waren ze er.
De leider had tegen de holle boom plaatsgenomen en vroeg zich af waar de oude man bleef. “Hij zal toch wel komen, niet?!” Toen de oude buurman dat hoorde, sprong hij zo goed en zo kwaad als dat ging, uit de boom tevoorschijn, knielde voor de oni neer.
“Zo, u bent dus de oude man van gisteren. Dank u dat u gekomen bent om voor ons te dansen. Begint u maar meteen.”
De oude buur kende echter niks van dansen, zijn gebaren en bewegingen waren als van een hulpeloos wezen, het leek werkelijk nergens naar, een bezemstok had het beter gedaan. Maar hij dacht dat die demonen wel alles voor zoete koek zouden slikken, dus hopte hij maar wat, molenwiekend met zijn armen, stampend met zijn voeten, dénkend dat zijn vertoning zo slecht nog niet was, al bij al.
Maar de leider was bepaald ontstemd over het vertoon. “Wat u ons vandaag laat zien lijkt totaal niet op het prachtige schouwspel waarop u ons gisteren hebt vergast. Wij willen dit echt niet meer zien. We zullen u het onderpand teruggeven dat u ons gisteren hebt nagelaten en dan kunt u onmiddellijk ophoepelen.”
Uit een zak van zijn verkreukelde mantel nam hij de hangwang die hij de dag ervoor van de ene oude man zijn linkerwang had gehaald, en plantte deze op de linkerwang van de oude man die nu voor hem stond. De hangwang hechtte zich meteen muurvast op de kaak alsof hij er altijd gezeten had.

En zo was de altijd zo humeurige en boze en wrokkige oude buurman niet alleen zijn hangwang kwijt, maar had er nu twéé in plaats van één. Even nog dacht hij dat hij een nare droom beleefde, maar dat was enkel zelfbedrog. De demonen en monsters waren verdwenen, en voor de oude buurman zat er niets anders op dan naar huis te strompelen.
Het was geen gezicht.

De oude man in dit Japanse verhaal is naarmate hij ouder wordt iets van zijn schoonheid kwijtgeraakt en er is iets lelijks voor in de plaats gekomen. Het verhaal maakt niet duidelijk of dit ook in overdrachtelijke zin zo is. Dat is spijtig, want zo blijft het een verhaal over uiterlijkheden, en zouden we zelf moeten zoeken naar de symboliek. Dan doe je onvermijdelijk open deuren open: is hij ook qua karakter een “hangwang” geworden? Belangrijker is echter dat de man zijn lot heeft aanvaard en daarmee zichzelf zoals hij is. Als hij geconfronteerd wordt met demonen en monsters (zijn demonen en monsters?), schrikt hij niet, integendeel, hij toont hoe hij vroeger was: een vrolijke, knappe, danslustige man. Voor de aanvaarding van zijn lot en voor de spontane en niet-berekende terugkeer van het kind in hem, wordt hij rijkelijk beloond door verlost te worden van wat hem zo lang heeft “ontsierd”. Dat geluk is de oude buurman, die zich nooit heeft kunnen verzoenen met zijn lot en die zich wél opportunistisch gedraagt, niet beschoren. Een en ander past in het “takenconcept” van de ontwikkelingspsycholoog Erik Erikson: aanvaarding van het geleefde leven bevordert een goede oudedag.

Bronnen:
Allan B. Chinen, In the Ever After. Fairy tales and the second half of life. 1989: Chiron, Wilmette.
Allan B. Chinen, Nog lang en gelukkig. Sprookjes en de tweede levenshelft. Cahiers Ouderdom en Levensloop. 1996: Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Diegem.
Allan B. Chinen: Once Upon a Midlife. Classic Stories and Mythic Tales to Illuminate the Middle Years. 2003.
https://tools.wmflabs.org/wsexport/tool/book.php?lang=en&format=epub&page=The_Japanese_Fairy_Book/How_an_Old_Man_Lost_His_Wen
https://www.worldoftales.com/Asian_folktales/Japanese_folktale_27.html

Illustratie: MishAine.

© 2018 Rob Vanderwildt voor deze Nederlandse bewerking.