Het verhaal van de oude man die dode bomen weer deed bloeien

Lang, heel lang geleden, leefden er een oude man en zijn vrouw, die een eigen stukje land bezaten, waarop ze alles verbouwden wat ze nodig hadden om van te leven. Keuterboertjes. Arm, maar ze waren gelukkig samen, en waren dat ook altijd geweest, al hadden ze niet het geluk gekend een of meer kinderen te hebben. Vandaar dat ze al hun liefde en genegenheid gaven aan hun hond, die ze Shiro hadden genoemd – Shiro betekent “wit”, en Shiro wás wit, een echt Japans hondje, dat er uitzag als een klein wolfje. Als de oude man gegeten had, nam hij wat hij overhad mee naar de veranda, en voerde de restjes aan Shiro. Het waren de fijnste momenten van de dag, zowel voor de oude man als voor de hond.
Naast het brave koppel oude mensen woonden nog een oude man en zijn vrouw, maar deze hadden eerder een wat boosaardig karakter, ze waren wreed, en inhalig en gierig tegelijk, en ze hadden een bloedhekel aan de hond van hun buren. Als Shiro al eens bij hen hun huisje binnenliep, stampten ze hem met een stevige trap weer naar buiten, en gooiden met dingen naar hem, en het gebeurde zelfs wel dat hij daarbij gewond raakte.

Op een dag hoorde de oude man Shiro aanhoudend blaffen, ergens op het veld achter het huisje van zijn baasje. De oude man, die niet wist wat er zo plots aan de hand was, en dacht dat er misschien vogels waren die het op het zaaigoed gemunt hadden, liep naar buiten om te zien wat er aan de hand was. Zodra Shiro hem zag, rende hij zijn meester tegemoet, driftig kwispelend met zijn staart, hij greep een slip van zijn meesters kimono in zijn bek en trok hem naar de grote yenokiboom. Hier begon hij meteen te graven, jankend van blijde opwinding. De oude man keek ernaar en wist niet wat hij ervan vinden moest, stomverbaasd als hij was, maar Shiro bleef maar janken en graven zonder te willen opgeven.
Het moest wel zijn dat er daar onder aan de boom iets verborgen lag dat de hond had geroken, tenminste, dat was wat de oude man kon bedenken. Hij liep naar zijn huisje, pakte een schop en begon samen met de hond te graven. Na een tijdje werd zijn aanvankelijke verbazing nog vele malen groter, toen ze stuitten op een hoeveelheid oude, waardevolle munten, en hoe dieper ze groeven, hoe meer goud en zilver er tevoorschijn kwamen.
De oude man was zo geconcentreerd bezig, en al zo in de ban van zijn vondst, dat hij niet in de gaten had dat de boze buurman door de bamboehaag stond te koekeloeren en alles zag. Even later lag er een heel bergje gouden en zilveren munten, en Shiro zat er bij met een triomfantelijke snuit, alsof hij tegen zijn baasje zeggen wilde: “Zie maar eens goed, ik mag dan wel een hónd zijn, ik kan echt wel iets terugdoen voor al de vriendelijkheid waarmee u en uw vrouw me al die jaren bejegend hebben.”
De oude man riep zijn vrouw en samen brachten ze de schat naar binnen. Wie had dat ooit kunnen bedenken: in één dag waren ze… rijk! Ze hadden zelfs niet geweten wat “rijk” eigenlijk betekende. Maar hun dankbaarheid jegens Shiro kende vanaf dan geen grenzen meer. Ze hielden nog meer van hem, ze verwenden hem nog meer dan ze zelf ooit voor mogelijk hadden gehouden.

Maar de boze buurman had door de bamboehaag dus alles gezien en was getuige geweest van de vondst van de schat aan gouden en zilveren munten. Zo’n gelukje zou hij ook niet afslaan natuurlijk, en na een paar dagen over een plan te hebben nagedacht, ging hij bij zijn buurman langs en vroeg hem héél beleefd of hij hun hondje mocht lenen voor een paar dagen.
De oude man vond het een bizar verzoek, want hij wist maar al te goed dat zijn buurman niks van Shiro hebben moest, en dat hij hem al meer dan eens mishandeld had. Maar de oude man was de goedheid zelve, en stemde erin toe zijn hond voor een paar dagen uit te lenen, op voorwaarde dat de buurman goed voor hem zou zorgen.
De boze buurman keerde naar zijn huisje terug met een kwaadaardige smile op zijn gezicht. Hij zei aan zijn vrouw dat tot dusver zijn listige plannetje aan het lukken was. Hij pakte zijn schop uit het schuurtje en haastte zich naar zijn eigen veldje, dwong Shiro hem te volgen. Zodra ze bij zijn yenokiboom kwam, baste hij dreigend tegen de hond:
“Als er gouden munten verstopt zaten onder de boom van jouw meester, dan zitten er zeker ook onder de mijne. Zoek ze! Zoek ze! En waag het niet er geen te vinden. Waar zitten ze? Waar blijf je met je geblaf? Waar zitten ze?!”
De boze buurman greep Shiro bij zijn nek en duwde hem met zijn neus tegen de grond, hij kon niet anders doen dan gaan snuffelen, en ten slotte begon hij maar te graven, als hij maar van de greep van die nare man af was. Deze was maar al te verheugd dat de hond aan het graven was geslagen, want nu zou ook hij weldra de nodige kostbare munten in zijn bezit hebben, zoals ze ook bij zijn buurman onder aan dezelfde soort boom verstopt hadden gelegen. Hij had meteen al een schop meegebracht, duwde de hond ruw opzij en begon zelf te graven, maar hoe hij ook groef, er was niets, helemaal niets, alleen een vieze geur steeg op uit de grond, en uiteindelijk stootte hij op een hoopje vies afval.
De afschuw van de boze buurman was enorm, dat kun je wel denken, en die afschuw sloeg om in woede. Hij had met eigen ogen het fortuin van zijn buurman gezien, had gehoopt dat hetzelfde geluk ook hem ten deel zou vallen, had die vervelende hond geleend, en nu, nu zag hij zijn ochtendlang spitten en graven enkel beloond met een hoop stinkend vuil. En in plaats van even stil te staan bij zijn eigen hebzucht, gaf hij Shiro de hond de schuld van alles. Hij pakte zijn schop beet en gaf het beestje daarmee zo’n enorme klap, dat het onmiddellijk ter plekke dood neerviel. Het lijkje gooide hij in het gat dat hij gegraven had op zoek naar goud, en overdekte het met aarde. Thuis verzweeg hij wat hij gedaan had, zelfs aan zijn vrouw vertelde hij niets.

146-418363438.jpg

Na een paar dagen werd de oude man die het baasje was van Shiro ongerust, want tevergeefs zat hij maar te wachten tot zijn buurman zijn hondje zou komen terugbrengen. Ten slotte ging hij naar hem toe. Zonder enige schaamte zei de boze buurman dat hij de hond had doodgeslagen omdat deze zich zo slecht gedragen had. De oude man moest er hartstochtelijk om wenen. Geschokt was hij. Maar hij was een te goede mens om zijn buurman iets kwalijk te nemen. Toen hij vernam dat Shiro begraven was aan de voet van de yenokiboom, vroeg de oude man of hij de boom mocht hebben, zodat hij iets had ter herinnering aan zijn hond. Zelfs een zo boze buurman kon zo’n eenvoudig verzoek niet weigeren, en dus stemde hij toe. De oude man velde de boom en zaagde hem in stukken en bracht ze naar huis. Uit de stam maakte hij een houten mortier, waarin zijn vrouw wat rijst deed, dat hij wilde fijnstampen, met de bedoeling rijstkoekjes te bakken, een gewoonte om, in dit geval, een eerbetoon te brengen aan zijn hondje Shiro. Maar er gebeurde iets vreemds. De oude vrouw had wat rijst in de mortier gedaan en de oude man begon net de rijst fijn te stampen om met de fijngestampte rijst koekjes te bakken, toen de hoeveelheid rijst spontaan toenam en er weldra wel vijf keer zoveel was als de oude vrouw erin had gedaan, en nog vreemder was, dat het geen rijst meer was, maar gebakken rijstkoekjes!
De oude man en de oude vrouw stonden er verwonderd op te zien, maar vermoedden dat dit een beloning was van Shiro, omdat zij altijd zoveel van hem gehouden hadden. Ze proefden voorzichtig van de koekjes, en vonden ze de lekkerste die ze ooit gegeten hadden. Vanaf dan hoefden ze zich ook geen zorgen meer te maken om eten, ze leefden van de koekjes die de houten mortier zonder ophouden tevoorschijn toverde.

Natuurlijk kwam dit wonderbaarlijke gebeuren ook de boze buurman ter ore, en, jaloers en brutaal als hij was, vroeg hij de oude man de mortier voor enkele dagen te leen, met het smoesje dat hij zelf ook aangedaan was door de dood van Shiro en hem door het maken van koekjes een laatste eer wilde bewijzen.
Dat wilde de oude man eigenlijk niet, maar hij was een te goede mens om het te weigeren. Het hoeft niet te verwonderen dat de boze buurman de mortier niet terugbracht, en opnieuw ging de oude man na enkele dag bij hem aankloppen, en vroeg hem of hij zo goed wilde zijn de mortier terug te geven nu hij er toch wel klaar mee zou zijn. De oude man trof zijn gebuur aan bij een vuur gestookt van hout, en hij zag op de grond stukjes hout liggen die, zo vermoedde hij, afkomstig waren van de mortier, en hij voeg er ook naar, waarop de boze buurman heel arrogant reageerde:
“Kom je om je mortier?! Ik heb dat ding kapot geslagen, en nu gooi ik de stukken in het vuur, want ik probeerde er rijstkoekjes mee te maken, maar in plaats daarvan kwam er alleen maar een kwalijke stank uit.”
“Dat spijt mij heel erg,” antwoordde de oude man, “het was wellicht beter geweest als u me had gevraagd of u wat koekjes van ons mocht hebben, we hadden u die graag gegeven, zoveel als u maar gewild had. Nu kan ik u alleen maar vragen mij de asse te geven van de mortier, die ik wil bewaren als herinnering aan mijn hond.” De boze buurman stemde ermee in en de oude man ging terug naar zijn huis met een mand vol asse.

Niet lang daarna strooide de oude man per ongeluk wat asse op de bomen op zijn veld, en wat een wonder gebeurde er toen! Het was al ver in de herfst, bijna winter, en alle bomen waren hun bladeren al kwijt, maar zodra schilfertjes van de asse op de takken terechtkwamen, schoten de kersenbomen, de pruimenbomen en alle heesters in volle bloei, de tuin van de oude man zag er plots uit als een prachtig geschilderd lentetafereel. De oude man was in de wolken, en ditmaal borg hij de asse zorgvuldig op.
Het verhaal van de tuin van de oude man deed al snel de ronde in de wijde omtrek, van heinde en verre kwamen de mensen om getuige te zijn van het wonderbaarlijke gebeuren. Op een dag werd er op de deur van de oude man zijn huisje geklopt, hij ging naar de deur en was verbaasd oog in oog te staan met een samoerai, die hem de boodschap kwam brengen dat zijn meester, een belangrijke Daimio, een kersenboom had die helemaal verdord was, en dat ze van alles geprobeerd hadden, tevergeefs, om er weer leven in te krijgen. De Daimio had daar veel verdriet van, vertelde de samoerai, en nu ze gehoord hadden dat er een oude man was die dode bomen weer tot bloei kon wekken, en dat zijn Heer hem daarom gestuurd had om de oude man te vragen met hem mee te komen. “Ik zal u erkentelijk zijn als u meteen mee wilt gaan,’ voegde de samoerai er nog aan toe.

japanese+fairy+tale+stamp+3-1817477685..jpg

Hoewel de oude man uiterst verbaasd was, aarzelde hij geen moment om meteen mee te gaan, al was het maar uit respect voor de Daimio, die al ongeduldig op de komst van de oude man had zitten wachten, en hem meteen overviel met de vraag:
“Bent ú de oude man die dode bomen weer kan doen bloeien?”
“Ja, hoogheid, ik ben die oude man.”
“Gaat u dan meteen naar de dode kersenboom in mijn tuin met uw asse, ik ga met u mee, ik wil het met eigen ogen zien gebeuren.”
Iedereen ging mee – de Daimio, zijn hele gevolg, de hofdames, die het zwaard van de Daimio droegen.
De oude man trok zijn kimono op en stopte deze in en klom in de boom met het mandje met de asse, terwijl iedereen gespannen toekeek. Hoog bovenin vond hij twee takken die een vork vormde waar hij kon plaatsnemen, zette zich, en strooide voorzichtig wat asse uit over de takken en de twijgen. Het was wonderlijk: de verdorde boom barstte in volle bloesem uit. De Daimio was zo vervuld van vreugde, dat het leek of hij een beetje gek geworden was. Hij stond recht, opende zijn waaier en riep de oude man naar beneden. Hier gaf hij de oude man een beker met de allerfijnste sake en beloonde hem met veel zilver en goud en nog heel wat kostbare zaken. De Daimio beval ook dat de oude man voortaan de naam Hana-Saka-Jijii moest dragen, wat zoveel betekende als “De oude man die dode bomen weer doet bloeien”, en dat iedereen hem ook zo moest aanspreken, en daarop stuurde hij hem met de grootste eer naar huis terug.

Natuurlijk kwam dit alles ook de boze buurman ter ore, die bijna uit zijn vel barstte van jaloezie. Hij had ook nog altijd niet kunnen verkroppen dat hij er niet in geslaagd was goud en zilver te vinden onder aan de yenokiboom, geen koekjes had kunnen toveren uit de houten mortier, daarom dat hij dit keer móest slagen om hetzelfde te doen als zijn oude buurman, die alleen maar door wat asse te strooien verdorde bomen weer tot bloei kon brengen. Simpeler kon het toch niet zijn!
Hij ging meteen aan de slag, en daar waar hij vuur had gemaakt en daarin de mortier in had verbrand, veegde hij alle asse die er nog lag bijeen en trok erop uit, op zoek naar een vooraanstaand man voor wie hij een dode boom weer tot bloei zou kunnen brengen. Heel de weg riep hij luid: “Hier is de man die dode bomen weer tot bloei kan wekken! Hier is de man die dode bomen weer tot bloei kan wekken!”
Men stelde de Daimio op de hoogte van de komst van de man. “Dat moet Hana-Saka-Jijii zijn die langskomt, ik heb niks om handen vandaag, laat hem zijn kunstje nog eens doen, we hebben ergens nog wel een verdorde boom staan, niet?”
De dienaren brachten de bedrieger, die helemaal in zijn nopjes was, tot voor de Daimio. Maar de Daimio zag meteen dat deze man niet dezelfde was als de oude man die de dag voordien bij hem was geweest.
“Bent u werkelijk de man die ik de naam Hana-Saka-Jijii heb gegeven?”
De jaloerse boze buurman antwoordde met uitgestreken gezicht: “Jawel, Hoogheid.”
“Vreemd, ik dacht dat er maar één Hana-Saka-Jijii was in de hele wereld. Heeft hij misschien leerlingen?”
“Ik ben de ware Hana-Saka-Jijii, de oude man die hier gisteren was, is een van mijn leerlingen.”
“Dan bent u beslist nog stukken beter. Laat ons een zien tot wat u in staat bent.”’
De boze buurman liep met de Daimio en heel zijn gevolg de enorme paleistuin in, bij de dode boom aangekomen, nam hij een handvol asse uit het emmertje dat hij had meegebracht, en strooide het uit over de boom.
Maar er gebeurde niets, helemaal niets, niet alleen kwam de boom niet tot bloei, er was zelfs geen knopje te zien dat eventueel tot ontluiken zou kunnen komen. Bang dat hij niet genoeg asse had gebruikt, nam de boze buurman nog een handvol en strooide het uit over de verdorde boom. Niets. De asse vloog weg op de wind en kwam terecht in de ogen van de Daimio, wat de edele heer nogal boos maakte. Hij gaf de dienaren de opdracht de valse Hana-Saka-Jijii te arresteren en de bedrieger in de kerker te gooien, waaruit de man nooit meer zou vrijkomen. Zijn boze daden werden voorgoed afgestraft.

De goede oude man echter, die dankzij Shiro zijn hond en Daimio, de edele heer, een rijk en welvarend man was geworden, leefde nog vele jaren en beleefde samen met zijn oude vrouw een mooie oudendag, geliefd bij iedereen.


Het verhaal van de oude man die dode bomen weer deed bloeien is een lieflijk verhaal. Zoals gewoonlijk in dit genre verhalen krijgen we te maken met arme oude mensen, die nochtans tevreden zijn met het leven dat ze tot dan toe hebben geleid. De armoede van dit echtpaar is niet alleen materieel; dat hun huwelijk kinderloos is gebleven, kan ook als een element van hun armoede worden beschouwd. Ze hebben echter hun bekwaamheid om lief te hebben en zorgzaam te zijn, gericht op elkaar en op hun hond. Klagen doen ze niet, ze doen het met wat ze hebben, ze stoken geen ruzie met de boze buurman, en wellicht is dat de verklaring waarom hun op hoge leeftijd nog zo’n enorme schat in de schoot valt, waar ze zo blij mee zijn als een kind. Tegelijk met de schat vinden ze het kind in zichzelf terug. Zo gaat het vaak met ouder worden, behalve als je, zoals de boze buurman en zijn vrouw, eerder op zure wijze in het leven hebt gestaan. Symbolisch is uiteraard ook dat “dat wat dood is door de eenvoudige, wellicht wat naïeve oude man weer tot bloei gewekt kan worden, zelfs in wintertijd(!)”. Dit is zo ongeveer de “conclusie” die ik uit dit verhaal kan trekken om te verantwoorden dat Het verhaal van de oude man die dode bomen weer deed bloeien een ouderdomssprookje genoemd mag worden. Waaraan ik nog wil toevoegen dat in dit verhaal sprake is van magie, wat ongewoon is voor een ouderdomssprookje. Allan B. Chinen, de Amerikaanse jungiaanse psychiater geeft aan dit sprookje een m.i. erg ingewikkelde, misschien wat gezochte, freudiaanse uitleg, waarvoor ik in het verhaal zelf eigenlijk geen enkel aanknopingspunt vind.

Dit was het negende ouderdomssprookje. De volgende keer sluit ik deze reeks af met een nabeschouwing.

Bronnen:
Yei Theodora Ozaki, ‘The Old Man Who Made Withered Trees Flower’ in: Japanese Fairy Tales. 1908: A.L. Burt Company, New York; The Japanese Fairy Book. 1970: Tuttle, Tokyo.
Allan B. Chinen, In the Ever After. Fairy tales and the second half of life. 1989: Chiron, Wilmette.
Algernon Bertram Freeman-Mitford, Tales of Old Japan. 1871. The Project Gutenberg eBook.

Illustraties:
Het verhaal van de oude man die dode bomen weer deed bloeien moet, zeker in Japan, een zeer bekend verhaal zijn, dat kennelijk behoort tot de Japanse (volks-) verhalencanon. De lange Engelse, en dus ook Nederlandse titel is het werk van de vertaler Yei Theodora Ozaki; in het Japans is dat kortweg: Hanasaka Jiisan (花咲か爺さん) (bron).
Omdat er in de loop der tijd zoveel uitgaven verschenen zijn, met telkens andere illustratoren en andere doelgroepen, komen de illustraties niet altijd goed overeen met de door mij vertaalde versie uit Japanese Fairy Tales van 1908. De makers waren ook niet te achterhalen. De derde illustratie is een afbeelding van een postzegel uitgegeven in november 1973. Veelzeggend!

Mijn nieuwsbrief ontvangen? Klik hier.