Het gelukkige leven van Wali Dâd

81EyVGqSZ1L._SL1500_

Ook als podcast

Er leefde eens in het toenmalige Brits-Indië een arme oude man. Zijn naam was Wali Dâd. Wali woonde in een lemen hutje, aan de rand van de jungle, een eindje van de stad, hij woonde er alleen, hij had geen vrouw, en geen kinderen, en ook andere familie had hij niet. Hij krabbelde de kost bijeen door in de jungle gras te snijden en dit in de omtrek te verkopen als voer voor paarden en koeien. Daar verdiende hij zo ongeveer vijf halve penny’s per dag mee, genoeg voor zijn levensonderhoud, hij stelde weinig eisen, nam genoegen met het leven zoals hij het leidde en wenste voor zichzelf geen materiële rijkdom. Van die vijf halve penny’s spaarde hij er wekelijks zelfs nog minstens één. Zo leefde hij zijn leven en voor hem was het een gelukkig leven.

Op een avond kwam hij op het idee toch eens te tellen hoeveel halve penny’s hij nu zo stilaan bijeengespaard had. Hij had ze telkens in een aardewerken pot gedaan en deze onder de vloer van zijn hutje verstopt. Met de nodige inspanning lukte het hem om de pot van onder de vloer te halen, en toen hij de pot op de vloer had leeggekieperd, keek hij met stomme verbazing naar de berg muntjes, hij had geen idee gehad hoeveel spaarcentjes hij eigenlijk bezat. Maar wat moet ik ermee, dacht hij bij zichzelf. Zelf heb ik niks nodig, ik ben tevreden met wat ik heb, en hij was ook niet van zin om zijn manier van leven voor al dat geld op te geven, hij wilde gewoon blijven doen wat hij altijd al, al die jaren, had gedaan: gras snijden in de jungle, het verkopen als voer voor paarden en koeien, wat halve penny’s verdienen en… Hij zou er eens een nachtje over slapen, dat leek hem het beste. Hij deed al de muntjes in een zak, verstopte deze onder zijn bed, kroop onder een versleten deken en sliep in.

De volgende dag stapte Wali naar de stad en zocht er de juwelier op die hij goed kende en onderhandelde met hem over de prijs van een erg mooie gouden armband, die hij na het afsluiten van de koop in een katoenen zakje meekreeg, dat hij wegstopte onder zijn katoenen gordel. Hij ging niet meteen naar zijn hutje terug, maar liep eerst aan bij een goede bekende van hem, een welgestelde koopman, die veel reisde, vele steden en landen bezocht, en zijn koopwaar meenam met een kleine karavaan kamelen. Gelukkig trof hij de koopman thuis. Na een kop thee te hebben gedronken, vroeg Wali aan de koopman wie volgens hem de allerdeugdzaamste en allermooiste dame was die hij ooit op zijn vele reizen had ontmoet. “Geen twijfel mogelijk,” zei de koopman, “dat is de prinses van Khaistân, zij staat alom bekend om haar vriendelijkheid, haar vrijgevigheid, haar schoonheid.”
“De volgende keer dat u in haar richting op reis gaat, wees dan zo goed om bij haar langs te gaan en haar deze armband te geven, met de oprechte complimenten van iemand die haar deugdzaamheid veel meer bewondert dan dat hijzelf zou verlangen naar luxe en weelde.” Daarop overhandigde hij de armband aan de koopman, die, eerlijk gezegd, niet goed wist wat hij ervan denken moest, maar die zeker zijn vriend de dienst zou bewijzen waarom hem werd gevraagd.
Hij ging zelfs al vrij vlug weer op zakenreis, en deed ook de hoofdstad van Khaistân aan, waar hij om een audiëntie verzocht bij de prinses en haar, met de oprechte complimenten van Wali erbij – zonder diens naam prijs te geven – de gouden armband gaf, in een geparfumeerd doosje dat hij zelf had gekocht omdat hij vond dat zo’n prachtig sieraad toch een beetje ingepakt mocht zijn. De prinses had geen flauw idee aan wie ze dit geschenk te danken had, ze vroeg de koopman over enkele dagen terug te komen, ze wilde immers nadenken over een gepast antwoord. En toen de koopman opnieuw naar de residentie van de prinses ging, stond er een kameel hem op te wachten beladen met een grote hoeveelheid zijde, zo mooi van kleuren en kwaliteit, als hij nimmer gezien had. “Dit is mijn wedergeschenk,” zei de prinses, “voor de mysterieuze maar kennelijk nobele schenker van de armband. En voor u deze kleine som geld, als blijk van mijn erkentelijkheid dat u deze opdracht op u wilt nemen.” Waarna de koopman weer op huis aanging, een reis die enkele weken in beslag nam.

Bij zijn thuiskomst ging de koopman eerst bij het hutje van Wali Dâd langs, die stomverbaasd was dat hij zomaar een kameellading van de allermooiste zijde kreeg. Wat kan ik daarmee nu doen, vroeg hij zichzelf af, maar er lang over nadenken, moest hij niet, aan de koopman vroeg hij of deze niet een jonge en waardige prins kende, die met zo’n geweldige schat aan zijde zeer vereerd zou zijn.
“Ik ken er wel een,” zei de koopman. “Van Delhi tot Bagdad, van Konstantinopel tot Lakhnaū, de Gouden Stad van het Oosten, ken ik ze allemaal, maar er is er geen die waarachtiger, galanter en welvarender is dan de jonge prins van Nekabad.”
“Heel goed, wel, breng deze kameel met al de zijde dan naar de prins die u noemt, en breng hem de groeten over van een oude man,” zei Wali Dâd opgelucht.

Op een eerstvolgende reis die hem naar Nekabad zou brengen, nam de koopman de kameel met de lading zijde mee, die hij, zodra hij daar aangekomen was, aan de prins aanbood, met “de groeten van een oude man die anoniem wil blijven, maar dit doet uit respect voor de waardigheid en de grootheid van u, edele heer”. De prins stond verstomd bij zoveel generositeit en beval onmiddellijk twaalf van de fijnste raspaarden, waarvoor zijn land beroemd was, op te tuigen om als tegengeschenk voor de oude man met de koopman mee te geven. De koopman zelf kreeg, net als van de prinses van Khaistân, een mooie beloning.

Bij thuiskomst zocht de koopman als eerste Wali Dâd op. Wali zag al in de verte iemand met een stoet paarden aankomen, en wrijvend in zijn handen dacht hij meteen aan de hoeveelheid gras die hij zou kunnen verkopen. “En ik hoef er niet eens voor naar de stad!” Hij rende zo goed als zijn oude benen hem daarbij behulpzaam waren, naar de jungle, en sneed zoveel gras als hij dragen kon, en toen hij met zijn armen vol terugkwam en van de koopman te horen kreeg dat de twaalf paarden een geschenk waren van de prins van Nekabad voor hém… was hij… teleurgesteld. Wat moest hij aanvangen met twaalf paarden?! Maar zo gauw was hij niet uit het veld te slaan. “Neemt u twee paarden voor uzelf,” stelde hij de koopman voor, “en brengt u dan de overige tien naar de prinses van Khaistân, zij is immers de enige die zo’n bijzonder geschenk waardig is.”
De koopman ging glimlachend akkoord, en zijn woord gestand doend, vertrok hij op zijn eerstvolgende reis met de paarden in zijn gevolg en leverde ze ongedeerd af bij de residentie van de prinses, die nu wederom de koopman ondervroeg over de onbekende genereuze gever. De koopman was een eerlijk man, voor wie de waarheid heilig was, maar toch leek het hem geen goed idee om de prinses uit de doeken te doen wat voor iemand Wali Dâd in werkelijkheid was: een arme oude man die vijf halve penny’s per dag verdiende en die erbij liep in versleten kleren en in een schamel lemen hutje woonde. Dus vertelde hij haar dat zijn goede edele vriend verhalen had gehoord over haar goedheid en schoonheid, en geen ander verlangen koesterde dan haar het mooiste te schenken wat hij had. De prinses zocht na het onderhoud haar vader op en vroeg hem om advies hoe ze het best kon reageren op iemand die niet aflaat haar zulke enorme geschenken te sturen.
“Uh, weigeren zou een ferm affront zijn,” zei de koning na even te hebben nagedacht, “het slimste is om je onbekende vriend een zo’n enorm groot geschenk te doen toekomen, dat hij dat niet zal kunnen overtreffen en uit pure schaamte vanzelf wel zal ophouden met jou telkens lastig te vallen.”
Voor elk van de tien paarden, kwamen vader en dochter overeen, zouden ze twee muilezels sturen beladen met draagtassen vol zilver, zodat enkele uren later de koopman plots aan het hoofd stond van een onafzienbare, kostbare karavaan – hij zag zich zelfs genoodzaakt een aantal gewapende mannen in te huren ter bescherming tegen rovers, en was dan ook erg opgelucht toen hij zonder kleerscheuren aankwam bij de hut van Wali Dâd.
“Wel-wel,” zei Wali, “wat is me dat allemaal? Maar het komt van pas, nu kan ik de prins tenminste een fatsoenlijk wedergeschenk geven, en als u zelf vier ezels met last en al wilt aanvaarden als beloning voor uw diensten, en de overblijvende zestien naar de prins van Nekabad wilt brengen, dan zal ik u zeer dankbaar zijn.”
De koopman wist zich vorstelijk beloond voor zijn diensten, en was stilaan zeer nieuwsgierig geworden naar de afloop van dit merkwaardige avontuur, zodat hij na enkele dagen van voorbereiding de reis naar Nekabad aanvatte.

Ook de prins was ditmaal eerder ontsteld over de omvang van het geschenk, en hoorde de koopman uit over de onbekende weldoener. Het zat de koopman niet lekker dat hij nu mee in het schuitje zat en niet anders kon dan een beeld schetsen van Wali Dâd waarin deze zich uiteraard in het geheel niet zou herkennen. Daarop besloot de prins, net als de prinses van Khaistân, een zo groot wedergeschenk te sturen, dat de nobele onbekende geen andere keuze zou hebben dan te stoppen met zijn fratsen. Hij stelde een karavaan samen met twintig prachtige raspaarden, alle bekleed met een met goud afgewerkt dek, en met kostbare lederen zadels en zilveren breidels en stijgbeugels. Ook zocht hij twintig zelfgefokte kamelen uit en twintig olifanten, met rijk versierde praalzetels. De koopman moest nu een heel légertje gewapende mannen inhuren om de karavaan te beschermen, en het spreekt voor zich dat hij onderweg heel wat bekijks had.
Toen Wali Dâd de karavaan in de verte zag naderen, en vaststelde dat er heel wat dieren bij waren, haastte hij zich met zijn sikkel naar de jungle om zoveel mogelijk gras te snijden, dat hij meteen kon verkopen zonder naar de stad te moeten gaan. Hij was terug bij zijn hut op hetzelfde moment dat de koopman er stond met heel die karavaan.
“Nóg meer rijkdom!” riep Wali uit. “Wat moet een oude man als ik met zoveel rijkdom?! Onze prinses, in Khaistân, die zullen we er zeker een plezier mee doen. Als u nu voor uzelf twee paarden, twee kamelen en twee olifanten neemt, met alles erop en eraan, brengt u dan alstublieft de rest naar de prinses?”
De koopman maakte aanvankelijk de nodige tegenwerpingen, want hij vond het avontuur toch wat hachelijk worden, ook al werd hij er meer dan ruim voor vergoed, maar hij zag het eigenlijk niet meer zitten om weer eens bij de prinses aan te komen en begon best wel nerveus te worden. Maar ten slotte gaf hij toch toe, maar nam zich voor dat het dit keer echt de allerlaatste keer zou zijn. Na enkele dagen rust vertrok de karavaan naar Khaistân.

Toen de koning van Khaistân op zekere dag die hele stoet van gewapende mannen, paarden, kamelen en olifanten het binnenplein van zijn paleis zag betreden, rende hij ernaartoe en vroeg aan de koopman wat dat alles te betekenen had. Het duizelde hem toen hij begreep dat het opnieuw een geschenk was van die merkwaardige onbekende man, en hij rende terug het paleis in en zei buiten adem tegen zijn dochter dat het niet anders kon dan dat deze man met haar wilde trouwen. “Hij moet onmetelijk rijk zijn,” voegde hij eraan toe, “dus als hij jou zo is toegewijd, trouw dan met hem, een slechtere partij kun je niet treffen. We moeten hem een bezoek brengen.”
De prinses was het met haar vader eens. Orders werden gegeven om de reis voor te bereiden. Een nog omvangrijkere karavaan werd samengesteld: olifanten en kamelen, tenten en vlaggen en vaandels, met edelen, dienaren en lakeien, iedereen op zijn allermooist gekleed. De koning vroeg de koopman hen naar die machtige prins te brengen en een ontmoeting te regelen.

4x5 original

Je kunt je voorstellen hoe de koopman zich nu voelde. Het liefst van al was hij keihard weggerend, maar hij was als gezant van de zogenaamde “machtige prins” zo gastvrij ontvangen geweest, dat hij er nooit vrede mee zou hebben als hij er nu tussenuit zou muizen. Dus na een paar slapeloze nachten erkende hij dat dit zijn lot was en dat eraan ontsnappen eenvoudigweg niet tot de mogelijkheden behoorde. De reis werd aangevangen. Maar hoe dichter ze bij het einddoel kwamen – de hut van Wali Dâd – des te zenuwachtiger de koopman werd en hoe ongelukkiger hij zich voelde. Hij was er ziek van. Welke dood zou de koning voor hem in petto hebben als alles uitkwam, en ’s nachts, op zijn brits gelegen, kon hij de beelden van oprukkende beulen niet van zich afzetten.
Op een dagreis afstand van de hut van Wali sloeg het gezelschap een groot kampement op, terwijl de koopman naar Wali Dâd werd gestuurd om de komst van de koning en de prinses van Khaistân aan te kondigen, die nederig om een audiëntie vroegen. De koopman trof zijn oude vriend aan terwijl deze in zijn hutje aan een karige maaltijd zat van ajuin en droog brood. Hij vertelde het hele verhaal. Wali Dâd werd overweldigd door gevoelens van spijt en schaamte, ook plaatsvervangend voor zijn goede vriend de koopman, en natuurlijk besefte hij ook hoe vernederd de prinses zich zou voelen als zij hem zo zag. De tranen biggelden over zijn ingevallen wangen en met bevende handen trok hij de haren uit zijn baard. Hij smeekte de koopman te gaan vragen om een dag uitstel en de volgende dag terug te komen om te bespreken wat ze zouden doen.

Zodra de koopman weg was, bedacht Wali Dâd dat er voor hem geen andere waardige uitweg was uit deze door hemzelf geschapen dwaasheid, dan zichzelf het leven te benemen. Midden in de nacht stapte hij naar een plaats waar steile, rotsachtige kliffen neerkeken op een diep gelegen rivier. Hier zou hij zich naar beneden werpen. Hij nam een aanloop, maar vlak voor de afgrond, stopte hij – hij kon het niet! Hij zette zich op een rots en begon luidop te wenen.

f4ba2c99d4d380770d0a466d4b378259

Het duurde even voor Wali de schittering gewaar werd die hem omhulde. Het kon de ochtendstond nog niet zijn. Hij nam zijn handen voor zijn gezicht weg en zag twee engelachtige wezens voor hem staan, onsterfelijken, uit een andere wereld.

“Waarom ween je, oude man?” vroeg de een. Haar stem klonk als zuivere muziek.
“Uit schaamte,” antwoordde Wali.
“Waarom hier, op deze plaats?” vroeg de ander.
“Ik ben naar hier gekomen om te sterven. Ik wilde mezelf van het klif werpen.” En het hele verhaal kwam er nu uit.
Het eerste wezen legde een hand op zijn schouder. Wali Dâd voelde dat er iets met hem gebeurde, zonder meteen door te hebben wat het juist was. Zijn oude versleten kleren veranderden in een prachtig linnen gewaad, fraai geborduurd, en zijn vuile, eeltige voeten staken nu in warm, zacht schoeisel. Op zijn kale hoofd verscheen een met juwelen versierde tulband, om zijn hals een gouden ketting, en de kleine sikkel waarmee hij in de jungle al die jaren gras had gesneden, veranderde in een machtig zwaard met een gevest van ivoor.
Wali stond daar als in een droom. Het andere wezen zei hem zich om te draaien, wat hij deed, en hij zag een grote poort die openstond en uitgaf op een laan met aan weerszijden grote bomen. De wezens leidden hem door de poort, door de laan, aan het eind waarvan, op de plek waar zijn hut had gestaan, een magnifiek paleis oprees, bewaakt door op en neer paraderende en saluerende wachters, terwijl bedienden af en aan renden. Fonteinen leken te zingen, geuren van bloemen vulden de lucht. Wali Dâd stond als aan de grond genageld en dacht: Ik ben in het paradijs.
“Vrees niet,” zei een van de wezens, “je goedheid wordt beloond. Het is jouw huis. Ga binnen.” Toen verdwenen ze, allebei, de onsterfelijke wezens.
Wali trad zijn “huis” binnen, hij dacht dat hij droomde, hij sliep in een vertrek zo mooi en groot als hij zich er nooit een zou hebben kunnen voorstellen. Bij zijn ontwaken stonden tal van bedienden voor hem klaar en besefte hij dat het geen droom was maar werkelijkheid.

De koopman, die even later aankwam, was al even verbaasd als Wali aanvankelijk was geweest. De arme man had de hele nacht van de zenuwen niet kunnen slapen, was al vroeg op pad gegaan, had Wali bijna niet gevonden, doordat in de nacht heel de jungle rond zijn hut veranderd was in prachtig aangelegde tuinen en parken, en het was te danken geweest aan enkele alerte bedienden dat hij het paleis gevonden had. Was het zo niet gelopen, hij zou gedacht hebben dat hij zot geworden was en dat zijn verbeelding een loopje met hem had genomen. Wali stelde hem echter gerust door hem te vertellen wat er precies gebeurd was, ze spraken af dat ze een boodschap zouden sturen naar de koning en de prinses van Khaistân in hun kampement dat zij met heel hun entourage welkom waren en dat zij als zijn gasten ontvangen zouden worden. Drie dagen en nachten werden er feesten gehouden ter ere van het hoge bezoek, en alleman werd overladen met geschenken en geschenkjes, in goud en zilver, al naargelang rang of stand. Er waren sportwedstrijden, jachtpartijen, er werd gedanst en er was qua vertier en vermaak voor elk wat wils.
Op de vierde dag nam de koning van Khaistân zijn gastheer ter zijde en vroeg hem of zijn vermoeden juist was dat Wali met zijn dochter wilde trouwen. Wali dankte hem voor het compliment, maar zei dat hij van zoiets nooit had gedroomd, en dan nog, hij was veel te oud, véél te oud, voor zo’n mooie, jonge prinses, maar hij verzocht de koning nog enkele dagen te blijven, zodat er tijd was om de prins van Nekabad te laten komen, die een fantastische, dappere, eerbare, knappe jongeman was, zo zei Wali, en waardig om naar de hand van ’s konings dochter te dingen.
Goed idee, vond de koning. Wali zond de koopman voor een laatste keer naar Nekabad, en de prins kwam onmiddellijk mee terug, werd op slag en tot over zijn oren verliefd op de prinses, hun huwelijk werd nog in het paleis van Wali Dâd ingezegend en gevierd, waarna de koning van Khaistân naar zijn land terugkeerde en de prins en de prinses naar Nekabad reisden.

Wali Dâd zelf leefde nog een hele tijd in goede gezondheid en in goede doen, en stond altijd klaar om anderen te helpen. Want ondanks de rijkdom die hem in de schoot was gevallen, bleef hij dezelfde oude man die een eenvoudig leven als grassnijder, wonend in een lemen hutje, had geleid.


Het op voorhand etiketteren van een sprookje als een ouderdomssprookje kan leiden tot hineininterpretatie, zeker als niet meteen duidelijk is waarop de etikettering stoelt. Je neigt dan naar een woordelijke ontleding, exegese, zoals in bepaalde middens nog wel gebeurt met teksten van de gebroeders Grimm. Met Het gelukkige leven van Wali Dâd vreesde ik ook even dat het daarop zou uitdraaien. Ik vind het een heerlijk verhaal, met een komische laag, dat je evengoed zou kunnen vertellen op de Wereldverteldag van dit jaar, waarvan het thema immers “wise fools” is. Wali die een naïeve, goedmoedige, wat dommige oude man lijkt – in de Engelse tekst is er sprake van een “simple-hearted” Wali Dad –, maar uiteindelijk aan het langste eind trekt.
Allan Chinen, de jungiaanse psychiater die zich met het ouderdomssprookje heeft beziggehouden, en aan wie ik de kennis van deze sprookjes te danken heb, ziet het personage van Wali Dâd uiteraard heel anders. Hij grijpt daarbij terug naar de “taken” die de ouder wordende mens volgens de ontwikkelingspsycholoog Erik Erikson heeft om zijn ouderdom op een zingevende manier te beleven. Daarvoor is een mate van altruïsme, van generositeit nodig, en van Wali Dâd kun je gerust zeggen dat hij dat heeft: niets voor zichzelf eisend, alles schenkend aan de ander. Goed, dat is duidelijk. Maar in dit sprookje mis ik toch het kantelmoment, de crisis die een inzicht uitlokt; Wali Dâd is immers altijd al zo geweest en hoeft met het ouder worden niet te veranderen. Kenmerkend is wellicht wél het element “trots”, zoals dat opduikt wanneer Wali Dâd niet lijkt te kunnen ontsnappen aan een ontmoeting met de prinses van Khaistân, waarbij hij schaamteloos door de mand zal vallen. Chinen stelt dat het goed is om op hogere leeftijd trots te zijn op jezelf en je leven, zonder te vervallen in zelfverheerlijking, want levens verlopen doorgaans niet rimpel- en vlekkenloos. Zelfdoding lijkt Wali Dâd de enige uitweg, maar hij doet het niet. Op dat moment verschijnen er twee onbestemde wezens aan hem, die hem “belonen” en hem behoeden voor de rampzalige confrontatie met de prinses. Een jungiaan als Chinen is, ziet hij in de materiële rijkdom die Wali Dâd ten deel valt, eerder een geestelijke rijkdom. Een paradox. Daar komt bij mij de nodige twijfel naar boven, en ik stel me de vraag of Wali Dâd dan toch niet wel degelijk sterft en in een paradijs terechtkomt – ook dan zal hij niet worden geconfronteerd met zijn goedbedoelde “bedrog”. Wat verder nog volgt – de koppeling van de prinses van Khaistân aan de prins van Nekabad – is louter een narratieve afwikkeling waarin Wali Dâd geen echte rol meer speelt. Het is een fijn, meerlagig verhaal, maar een typisch ouderdomssprookje zou ik het niet willen noemen.

Bronnen:
Allan B. Chinen, In the Ever After. Fairy tales and the second half of life. 1989: Chiron, Wilmette.
Allan B. Chinen, Nog lang en gelukkig. Sprookjes en de tweede levenshelft. Cahiers Ouderdom en Levensloop. 1996: Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Diegem.
Allan B. Chinen: Once Upon a Midlife. Classic Stories and Mythic Tales to Illuminate the Middle Years. 2003.
Andrew Lang, ‘Story of Wali Dad the Simple-Hearted’ in: The Brown Fairy Book. (1904) 1914: Longman, Greens, New York. Met illustraties van H.J. Ford. 2009: The Floating Press, e-book.
Diverse internetbronnen na zoeken op “Wali Dad” of andere trefwoorden uit het verhaal, zoals deze bijvoorbeeld.

Illustraties:
Bovenaan een boekomslag van een Amerikaanse uitgave (tekening Daniel San Souci). Het verhaal is in de VS erg populair. Het is in verschillende versies gewoon te koop. Er bestaan zelfs bewerkingen in dialoogvorm, speciaal gemaakt voor het lager onderwijs, zodat het verhaal klassikaal kan worden verteld en “gespeeld”. Zie voor meer hier en hier (audio) en hier (video, Richard Martin) en hier (lagere school).
De zwartwit-illustratie is van Arthur Rackham en komt uit Langs The Brown Fairy Book. Van de andere illustratie heb ik geen maker kunnen achterhalen.

© 2018 Rob Vanderwildt voor deze Nederlandse bewerking.