Het doekje van de monnik

Japanse monnikEr leefde eens, in het oude Japan, een oude vrouw, die weduwe was, en samen met haar zoon en diens vrouw in een huisje aan de rand van het woud woonde. De vrouw was zelden of nooit goedgezind, en mopperde op van alles en nog wat. Niet echt een zonnetje in huis. Jaren van hard labeur in het woud, en eenzaamheid, hadden haar getekend; rimpels en groeven in het gezicht, een wat gebogen rug, een stokkende gang. Ze riep meer dan ze sprak, en haar schelle stem klonk dan door het kleine huis.
De oude vrouw kon niet goed opschieten met haar schoondochter, en ze was bovendien erg jaloers op haar, omdat de jonge vrouw zo mooi was, en ook lief van karakter en gemoed, al had de oude vrouw voor dat laatste geen oog. Ze liet haar schoondochter al de vuile en de zwaarste werkjes opknappen, en maakte haar het leven al even zuur als zij zelf was. De jonge vrouw onderging het gejen van de oude vrouw met gelatenheid, ze klaagde er nooit over tegen haar man en maakte zich ook nooit eens kwaad. Telkens weer nam haar fijne karakter de bovenhand. De oude vrouw werd er des te nijdiger om.

Op een zekere dag beval de oude vrouw de jonge vrouw om rijstkoekjes te bakken. Toen ze daarmee klaar was, telde de oude vrouw ze nauwkeurig na, zodat ze precies zou weten of er een of meer koekjes zouden worden opgegeten zonder dat zij het wist. Ook achterdocht hield haar in de greep. In die stemming vertrok zij naar het dorp voor een boodschap, en terwijl zij van huis was, klopte er een reizende monnik aan het huisje aan en vroeg om een kleinigheid, zoals destijds daar de gewoonste zaak ter wereld was. Soms werd zo’n monnik ook wel een bedelmonnik genoemd. De schoondochter begroette de monnik hartelijk, zij kende de gewoonten van haar land, en gaf hem een van de rijstkoekjes die zij zojuist gebakken had, waarna hij zijn weg vervolgde. Bij haar thuiskomst, ging de oude vrouw onmiddellijk naar de tafel waar de rijstkoekjes lagen, telde ze, en merkte natuurlijk dat er één ontbrak.
“Waar is dat laatste koekje,” riep ze met haar schelle stem, “wat heb jij daarmee gedaan, jij vals, hebberig kreng!”
“Dat heb ik aan een monnik gegeven,” antwoordde ze rustig en ze probeerde haar schoonmoeder te kalmeren.
“Ga het onmiddellijk terughalen,” gilde de oude vrouw, “die monnik zal wel zo ver nog niet zijn, die hebben nooit haast.”
De jonge vrouw deed haar schouderdoek om, verliet het huis en liep achter de monnik aan; gelukkig had ze gezien welke richting hij was uitgegaan. Ze haalde hem in en vroeg hem, terwijl ze zich uitputte in verontschuldigingen, haar het rijstkoekje terug te geven. De monnik glimlachte, en gaf het haar, en gaf haar ook een doekje, zo groot als een kleine handdoek, en zei haar dat ze het moest gebruiken om haar gezicht mee te wassen. “Ik weet,” zei hij nog, “dat voor u het leven met uw schoonmoeder niet eenvoudig is”, en met deze woorden was hij plotsklaps verdwenen.

De oude vrouw kreeg na enige tijd in de gaten, dat haar schoondochter met de dag mooier werd. Ze kon haar jaloersheid niet langer in bedwang houden en besloot de jonge vrouw op alle mogelijke momenten van de dag te bespieden. Zo merkte ze op een morgen dat zij haar gezicht waste met een doekje dat zijzelf niet kende, en telkens dat zij dat deed, zag ze er nog weer mooier en bekoorlijker uit. Dat moet dan wel een magisch doekje zijn, bedacht de oude vrouw, en zodra de gelegenheid zich voordeed, stuurde ze haar schoondochter weg om een boodschap te doen in het dorp, die gehoorzaam deed wat haar gevraagd werd. Ondertussen pakte de oude vrouw het doekje weg en wreef ermee over haar gezicht, maar toen ze in de spiegel keek, zag ze geen verschil. Ik ben veel ouder dan zij, dacht ze bij zichzelf, dus moet ik gewoon wat harder wrijven, wat ze dan ook deed, en eindelijk zag ze in de spiegel dat haar gezicht veranderd was, maar lieve hemel, ze schrok zich een bult, haar gezicht leek op dat van een paard, haar gezicht was al net zo behaard als een paard manen heeft, daarna werd het een apensmoel, en de veranderingen bleven maar doorgaan, tot ze het gezicht had van een kobold…
De oude vrouw barstte uit in een oorverdovend gesnik en geween en zakte luid lamenterend ineen op de vloer. Net op dat moment kwam haar schoondochter binnen, terug van haar boodschap, en zij op haar beurt, schrok van de lelijke gestalte die ze daar ontwaarde, en wilde onmiddellijk rechtsomkeer maken.
“Help me!” riep de oude vrouw.
De schoondochter herkende de stem en begreep dat zij geen demon had gezien, maar haar schoonmoeder, die wel betoverd moest zijn geraakt, wat haar medelijden opwekte.
“Ga hulp halen,” stamelde de oude vrouw, “probeer me te helpen.” Haar bede klonk smekend.
De jonge vrouw kon maar één iets bedenken, en dat was opnieuw achter de reizende monnik aangaan, al had ze geen idee wat die voor hen zou kunnen doen. Algauw vond ze hem, niet ver van hun huisje vandaan, het leek wel of hij daar langs de kant van de weg op haar had zitten wachten. Zij vertelde hem wat er was gebeurd, thuis, en hij lachte minzaam, want hij wist maar al te goed wat er aan de hand was. “Als een boosaardig iemand het doekje gebruikt,” zei hij, “dan loopt het af zoals u mij zojuist hebt verteld, en uw schoonmoeder is een boosaardige vrouw.”
“Wat kan ik doen?”
De monnik glimlachte. “Ga terug naar huis, en zeg tegen uw schoonmoeder dat ze de ándere zijde van het doekje moet gebruiken”, en met deze woorden was hij plotsklaps verdwenen.
De jonge vrouw liep zo snel ze kon naar huis terug en zei tegen haar schoonmoeder dat ze opnieuw over haar gezicht moest wrijven met het doekje, maar nu met de andere kant. Zonder tegenstribbelen, zonder kribbig commentaar, deed de oude vrouw wat haar gezegd was, en kijkend in de spiegel, en telkens weer wrijvend, zag ze hoe haar gezicht nu in omgekeerde richting telkens weer veranderde, tot ze weer haar oude vertrouwde, letterlijk oude gezicht, vol rimpels en groeven terugzag. Maar wat ze nu óók zag, was een glimp van vriendelijkheid en menselijkheid, en ze begreep het.
Ze ging voor haar schoondochter staan en omhelsde haar en weende. “Lieve dochter, schenk mij vergiffenis, ik zie nu in hoe lelijk ik tegen jou al die tijd ben geweest, ik was er zo op uit jouw schoonheid te hebben, maar ik begreep niet dat schoonheid van de jeugd is en niet van een oude mens, of toch niet de schoonheid aan de buitenkant, bij een oude mens hoort schoonheid aan de binnenkant te zijn. Vergeef mij.”

Vanaf die dag sprak de oude vrouw geen lelijk woord meer, niet tegen haar schoondochter, tegen niemand. Ze was een vriendelijke, gemoedelijke oude vrouw geworden, tevreden met haar ouderdom, en waar ze kon, werkte ze samen met haar schoondochter in hun huis. De oude vrouw hoopte vurig dat de reizende monnik nog eens zou langskomen, zodat ze hem zou kunnen bedanken, maar monniken zoals hij komen nooit terug, en nodig was het ook helemaal niet. De oude vrouw had het zélf voor mekaar gekregen.


Dit sprookje (?) komt in verschillende Aziatische, ook in Chinese canons voor. Interessant aan dit ouderdomssprookje is de omkering van de schoonheid. Schoonheid hoeft niet meer te worden nagestreefd en verschuift van de buitenkant naar de binnenkant. (De noodzakelijke) aanvaarding daarvan draagt bij aan een goed beleefde en doorleefde oudedag.

Bronnen:
Allan B. Chinen, In the Ever After. Fairy tales and the second half of life. 1989: Chiron, Wilmette.
Allan B. Chinen, Nog lang en gelukkig. Sprookjes en de tweede levenshelft. Cahiers Ouderdom en Levensloop. 1996: Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Diegem.
Allan B. Chinen: Once Upon a Midlife. Classic Stories and Mythic Tales to Illuminate the Middle Years. 2003.
Richard M. Dorson, Folk Legends of Japan. 2012: Tuttle Publishing, North Clarendon.

© 2018 Rob Vanderwildt voor deze Nederlandse bewerking.