Het betoverde woud


Stribors_forest_thumbOp zekere dag – het is lang geleden – slenterde de zoon van een oude vrouw met een bijl over zijn schouders het woud in waar ze vlakbij woonden, om hout te kappen voor de haard. Het was immers winter en barkoud. Al woonde de jongeman er al zijn hele leven, hij wist niet dat het woud betoverd was en vol magie zat. Misschien was de betovering er niet altijd geweest. Dat kan. De magie was soms heel goed voor de mensen, soms heel slecht, wat zowat afhing van om wie het ging.
Nu was het zo, dat het woud net zolang betoverd zou blijven tot iemand het zou betreden die nooit zijn zorgen zou opgeven in ruil voor de heerlijkste vreugden ter wereld. Dat moest wel een bijzonder iemand zijn! Daarom wellicht dat deze toestand zo aansleepte.
Nadat hij het nodige hout had gekapt, zette de jongeman zich op een boomstronk om even bij te komen, te genieten van het zonnetje dat op deze weliswaar barkoude maar toch mooie dag tot in het woud doordrong. Van achter de boomstronk kronkelde plots een slang tevoorschijn, die vleiende woorden sprak; het was geen echte slang, maar een mens, betoverd als slang, omdat zij – het was een zij – gezondigd had, en enkel verlost kon worden als iemand haar wilde huwen. De slang blinkerde zilverachtig in het zonlicht toen ze opkeek naar de verwonderde jongeman. “Wat een grappige slang,” zei hij, “die zou ik wel mee naar huis willen nemen.”
Goh, dacht de slang, ik heb meteen prijs, meteen een driedubbele idioot te pakken die me uit de nood wil helpen, en ogenblikkelijk ontdeed ze zich van haar slangenvel en pal voor de nu verbouwereerde jongeman stond een pracht van een jonge vrouw in een wonderlijk mooi wit kleed met geborduurde mouwen, net vleugels van een zeldzame vlinder. Dat was de buitenkant; binnen in haar bleef ze een kwade genius, en vandaar dat haar tong nog altijd de gevorkte tong van een slang was, wat ze probeerde te verbergen door binnensmonds te praten.
“Hier ben ik! Neem me mee naar je huis en trouw met me!”
Als de jongeman nu maar even zijn gezonde verstand had willen gebruiken en wat gedreigd had met zijn bijl, en gezegd zou hebben dat er geen denken aan was dat hij met een brokje magie uit het woud zou trouwen, dan zou de vrouw onmiddellijk weer de gedaante van een slang hebben aangenomen en verdwenen zijn en niemand het leven moeilijk hebben gemaakt.
Maar de jongeman was een goeie loebas, verlegen, niet al te slim, en niet eentje om gemakkelijk nee te zeggen als hem iets werd gevraagd. Hij was trouwens best vereerd dat de slang zich om zijnentwille in zo’n mooie vrouw had veranderd, zomaar. En mooi was ze, aan de buitenkant; dat er iets van haar andere zelf nog altijd in haar mond zat, dat kon hij niet bevroeden.
Hij nam haar bij de hand en leidde haar naar zijn huisje waar hij met zijn moeder woonde, die hij aanbad alsof ze een heilige was.
“Dit is uw schoondochter,” zei hij toen ze binnenkwamen.
“De Here zij dank, mijn zoon,” antwoordde zijn moeder toen ze de mooie jonge vrouw zag, maar ze was oud en ze was wijs, en had onmiddellijk in de gaten dat er in de mond van haar schoondochter iets anders zat dan een gewone mensentong.
De schoondochter trok zich terug om zich om te kleden, en de moeder fluisterde tegen haar zoon: “Je hebt een heel mooie bruid gekozen, jongen, maar de hemel beware je, zij is een slang!”
De jongeman stond met stomheid geslagen. Hoe kon zijn moeder dat nu weten? Er kroop boosheid in zijn hart. Mijn moeder is behekst, dacht hij, en vanaf dan had hij een vreselijke hekel aan haar.

De twee vrouwen en de man leefden nu samen in het huis, maar overeen kwamen ze niet. De schoondochter was altijd slechtgezind, rancuneus, hebberig en op onaangename wijze trots op zichzelf. Een regelrecht kreng. Dicht bij waar ze woonden was een hoge berg, die tot aan de wolken reikte, en op een dag zei de schoondochter tegen de oude vrouw dat ze naar boven moest klimmen om van de top wat sneeuw te halen waarmee ze zich wilde wassen, omdat wassen met sneeuw zo goed voor haar schoonheid was.
“Daar is daar helemaal geen pad naar boven,” zei de oude vrouw.
“Neem de geit mee, die zal je de weg wijzen, maar ja, overal waar zij kan komen, daar zou jij natuurlijk naar beneden kunnen tuimelen. Maar dat is dan mooi meegenomen.”
De zoon moest erom lachen, maar eigenlijk alleen om zijn vrouw een plezier te doen, en dit deed de moeder zo’n pijn, dat ze uit weerbarstigheid op weg ging naar de bergtop om sneeuw te halen, veel vreugde in het leven had ze toch niet meer. Ze wilde God nog vragen haar te hulp te komen, maar bedacht zich, want dan zou Hij te weten komen hoe lelijk haar zoon tegen haar deed, en dat wilde ze voorkomen, maar God hielp haar tóch, en de oude vrouw kwam veilig en wel weer beneden met enkele handvollen sneeuw.
Meteen de volgende dag al had de schoondochter weer iets in petto voor haar schoonmoeder.
“Het meer is nu bevroren, ga naar het midden van het meer, daar is een gat, vang daar een karper voor het avondeten.”
“Het ijs is nog te dun, ik zal erdoor zakken en kopje-onder gaan.”
“Des te makkelijker zul je die karper kunnen vangen.”
De zoon moest er weer om lachen. Zijn moeder had er danig het hart van in dat ze zo werd vernederd, maar ging er meteen op uit. Het ijs kraakte vervaarlijk, en de tranen die over haar gezicht liepen, bevroren, maar bidden tot God om hulp wilde ze niet, want dan zou Hij weten hoe zondig haar zoon was.
Laat me maar verdwijnen, dacht ze, maar haar tijd was nog niet gekomen. Boven haar vloog een zeemeeuw over met een grote vette vis in haar bek, die zich daaruit loswrong en al spartelend vlak voor de oude vrouw haar voeten op het ijs viel. Ze raapte de vis op en ging ermee naar huis. Het ijs kraakte niet meer.
De derde dag achtereen zat de moeder bij het haardvuur, ze had een hemd van haar zoon op haar schoot om het te verstellen, maar de schoondochter trok het uit haar handen en riep dat ze daar maar beter mee ophield, want ze zou het alleen maar erger maken, en bovendien moest ze zich, stom mens, met haar eigen zaken bemoeien.
Zelfs dit mocht ze niet meer doen voor haar zoon.

De oude vrouw was bedroefd. Ze ging de kamer uit, zette zich in de bittere koude op een bank voor het huisje, en smeekte God om haar te helpen. Op datzelfde moment kwam er een arm meisje voorbij. Haar kleren waren gerafeld en stuk, een blote schouder zag blauw van de kou, toch glimlachte ze, ze was een zonnetje, zo goedgezind. Onder haar arm had ze busseltjes aanmaakhout. “Wilt u een busseltje kopen, moedertje?”
“Ik heb geen geld, lief meisje, maar kom, laat me je kleren wat in orde maken.” Ze was met de naald en draad die ze voor het herstellen van het hemd van haar zoon nog in de hand naar buiten gegaan.
Ze maakte de kleren van het meisje wat op orde en kreeg er uit dankbaarheid wat aanmaakhout voor in de plaats.
Die avond zei de schoondochter tegen de oude vrouw dat zij en haar man op bezoek zouden gaan bij haar stiefmoeder, en dat ze ervoor moest zorgen dat er een warm bad zou klaarstaan als ze weer terugkwamen. In haar eentje pookte de oude vrouw het vuur weer op, met het aanmaakhout dat ze van het meisje gekregen had, en haalde hout uit de schuur. Toen ze daar was, hoorde ze binnen in het huis allerlei geluiden. Gegiechel.
“Wie is daar?” riep ze, terwijl ze naar het huis terugliep. De stemmetjes leken wel van kleine kinderen te komen, maar eenmaal binnen zag de oude vrouw kabouters van nog geen halve el groot die in een kring aan het dansen waren. Ze droegen jasjes van bont, hun mutsjes en schoentjes waren rood als het vuur in de haard, hun baardjes grijs als de asse, en hun ogen glansden als vurige kooltjes. Het leek wel alsof ze zo uit de vlammen van het vuur gesprongen waren en kabouters waren geworden. Ze lachten en zongen en sprongen in de rondte, steeds sneller en sneller, ze zaten overal op en aan en onder, heel de keuken lag ervan overhoop, maar de oude vrouw vond het niks erg, ze genoot ervan eindelijk weer eens wat vrolijkheid in haar huis te zien en te horen, en ze danste met het kleine volkje mee. Het leek wel of ze weer jong was, maar plots overviel haar weer de zware last die ze droeg. “Lieve kabouters,” zei ze, “kunnen jullie me helpen om te bewijzen wat voor tong mijn schoondochter heeft, want ik denk dat zij een slang is, en ik wil dat mijn zoon eindelijk bij zinnen komt.”
Ze vertelde wat er gebeurd was en de kabouters luisterden en schudden hun kleine hoofdjes en keken elkaar aan en dachten na, rimpels in hun voorhoofd. Ten slotte zei de jongste van het stel:
“We gaan u helpen. We gaan eieren van eksters zoeken, en die ruilen we om met de eieren waarop de kip zit te broeden – hoe wisten ze dat? -, en omdat slangen gek zijn op eksterkuikentjes, zal uw schoondochter zichzelf verraden als ze ze ziet, want ze zal erachter aangaan als een slang, en dan zien we vanzelf haar tong.”
Het leek de kabouters een schitterend idee en ze verheugden zich al op het avontuur, dat die slimme kleinste weer zo mooi had bedacht. Op het toppunt van hun dolle pret, kwam de schoondochter net binnen. Die werd razend natuurlijk toen ze de troep in de keuken zag, maar de kabouters sprongen onmiddellijk in het vuur, dat hen optilde en zo verdwenen ze door de schouw naar buiten. Alleen de kleinste bleef, hij verborg zich in de asse.
De schoondochter was danig geschrokken door het gebeuren en was op de vloer in elkaar gezakt; ze zag er niet uit, zo bleek, haar haren waren in de war, de haarspelden waren eruit gevallen. “Wat was dat, jij ouwe ellendeling!?”
“Het vuur vlamde op doordat je de deur opendeed.”
“En wat is dat daar in de asse?” Ze zag een puntje rood van de schoen van de kleinste kabouter.
“Een gloeiend kooltje.”
De schoondochter geloofde het niet, ze kroop dichter naar het vuur, en bracht haar gezicht dicht bij de asse, waarop de kleinste zijn voet naar haar uitstak en haar vol op haar neus raakte. De schoondochter gilde.
“Er liggen kastanjes in het vuur, pas op,” zei de oude vrouw. En zowel zij als de kleinste kabouter konden hun lachen amper inhouden.
De schoondochter zag er nu nog smoezeliger uit, door de asse, en ging zich wassen, en de oude vrouw maakte daar gebruik van om de kleinste te laten zien waar de kip aan het broeden was, met de bedoeling dat er tegen Kerstmis kuikentjes waren. Diezelfde nacht nog werden de eieren verwisseld met ekstereieren.
De schoondochter beval haar schoonmoeder om goed voor de kip te zorgen, het hok aan kant te houden en haar op tijd te verwittigen als de eieren uitgebroed waren, want ze wilde het hele dorp uitnodigen om dan te komen kijken, niemand immers had zoiets al gezien: kuikentjes met Kérstmis!

De ekstereieren waren op tijd uitgebroed. De oude vrouw zei het tegen haar schoondochter, en die nodigde heel het dorp uit om te komen kijken. En iedereen kwam, groot en klein, arm en wat minder arm, en de zoon van de oude vrouw stond er natuurlijk ook bij. De schoondochter droeg haar schoonmoeder op om het nest te gaan halen. Dat deed ze, zeker van haar zaak, ze tilde kip op, in het nest piepten de kuikentjes dat het een lieve lust was, ze kropen en vielen stuntelig uit het nest en hopten door de gang. Toen de slangenvrouw dat zag, verried zij zichzelf, haar slangennatuur kreeg de overhand, ze liet zich op de grond vallen en kroop al kronkelend achter de kuikentjes aan, terwijl haar tong uit haar mond schoot en weer naar binnen en er weer uit, zoals ze het nu eenmaal gewend was te doen, in het woud, als ze op jacht ging. Alle mensen, groot en klein, arm en minder arm, schrokken en maakten dat ze wegkwamen, nu ze zagen dat de schoondochter van de oude vrouw inderdaad een slang was.
De oude vrouw was tevreden en gelukkig. “Zie je nu,” zei ze tegen haar zoon, “breng haar terug naar waar je haar gevonden hebt, m’n jongen, je hebt nu met eigen ogen gezien wie je vrouw werkelijk is”, en ze wilde hem omhelzen, maar de zoon werd razend en schold zijn moeder uit, hij was ziende blind, hij wilde zijn slangenvrouw niet kwijt, en vroeg zijn moeder waar ze in deze tijd van het jaar die ekstereieren vandaan had gehaald. “Verdwijn uit mijn ogen,” riep hij, “maak dat je wegkomt uit dit huis!”
De oude vrouw voelde zich geslagen als een hond en weende en tegen de avond pakte ze wat brood in een tas en wat van het hout dat ze van het lieve meisje gekregen had en vertrok. Maar zodra ze de drempel over was en de deur achter haar dichtviel, doofde het vuur en viel het kruisbeeld van de muur. Schoondochter en zoon bleven alleen achter in het donkere huis, en pas toen begreep de zoon hoe zwaar hij jegens zijn moeder gezondigd had. Hij wilde dat niet tegen zijn vrouw bekennen, en zei daarom alleen maar: “Laten we haar volgen en zien hoe ze van de kou zal omkomen.”
“Graag,” antwoordde de schoondochter.
De arme oude moeder baggerde door de sneeuw, het werd donkerder en de velden steeds minder begaanbaar. Ze had het op den duur zo koud, dat ze niet verder meer kon. Ze veegde op een plekje de sneeuw wat opzij en maakte een klein vuur met het aanmaakhout. En kijk, zodra er vlammetjes kwamen, sprongen de kabouters in al hun vrolijkheid tevoorschijn, en de oude vrouw vatte weer moed en samen lachten ze en zongen ze. “Help me nog een laatste keer,” vroeg ze hun. En ze vertelde hoe het uiteindelijk verlopen was. Daar moesten ze even over nadenken, maar de kleinste zei algauw: “Laten we naar Stribor gaan, onze meester, hij weet altijd op alles raad.”
Hij floot op zijn vingers en vanuit het donker kwamen er een mannetjeshert en twaalf eekhoorns aangelopen. De kabouters zetten de oude moeder op het hert en zelf namen ze de eekhoorns. Zo gingen ze op weg. Naar het woud waar Stribor huisde. Het hert had een prachtig, wijdvertakt gewei, aan het uiteinde van elke tak zat een brandend sterretje, zodat ze licht hadden en konden zien hoe ze moesten gaan, en de twaalf eekhoorns, die hadden ogen als fonkelende diamanten. Het ging erg snel, de zoon en de schoondochter die volgden, waren inmiddels al danig buiten adem.
Ze bereikten het woud van Stribor, de woudkoning, de koning van het betoverde woud, en de schoondochter wist maar al te goed dat het dat was, want het was hier dat ze als betoverde had moeten boeten voor haar zonden. Het had haar tot enige inkeer kunnen brengen, maar rancune overheerste, ze stond er geen moment bij stil dat ze opnieuw zou kunnen zondigen, ze voelde geen angst, eerder triomfeerde ze toen ze zei: “Wees maar gerust dat dat stomme oude mens in dit woud vol betoveringen ten onder zal gaan!”

Na nog enig geren door het woud stonden ze allen voor Stribor, gezeten in een reusachtige eik, zo reusachtig, dat er zeven gouden kastelen in opgetrokken waren en een heel dorp, van zilver. Daar zat hij, op een troon, in een scharlaken mantel.
De kabouters smeekten hem de oude vrouw te helpen ontkomen aan het serpent, Stribor zei daarop tegen haar:
“Vreest niet, Moedertje. Trek je van je schoondochter niets aan. Laat haar maar volharden in haar boosaardigheid. Ik kan je helpen. Kijk eens naar dat dorp daar.”
De oude vrouw keek, en herkende haar eigen dorp, het dorp waar ze was geboren en opgegroeid, waar ze jong was geweest, waar ze gedanst en geflirt had met de jongemannen. Waar ze haar man had getrouwd. Ze hoorde muziek en gezang.
“Je hoeft er maar binnen te gaan, en je hebt je jeugd terug,” zei Stribor.
Nog nooit was de oude vrouw zo blij geweest, en bijna had ze de poort van het dorp al geopend, toen ze de woudkoning vroeg wat er van haar zoon zou geworden.
“Wat praat je nu over je zoon en wat er van hem zal geworden? Je zult niks weten van een zoon, hij blijft in het heden, jij gaat terug naar je jeugd, waarin van je zoon nog geen sprake is.”
Toen ze dat hoorde, overviel de oude vrouw een zwaar gevoel van droefheid, ze wendde zich af van de poort naar het dorp, boog voor de woudkoning en zei: “Dank u, Heer Stribor, voor uw goedheid, maar ik blijf liever in mijn miserie, met mijn gedachten aan mijn zoon, dan dat ik zou baden in het geluk en hem nooit zou kennen.”
Op hetzelfde ogenblik begon het woud te schudden, te beven, de aarde scheurde, de reusachtige eik met kastelen en dorp en al verdween; Stribor en de kabouters gingen op in het niets, de schoondochter keerde terug tot slang en kronkelde in het gapende gat, en moeder en zoon stonden heel alleen, naast elkaar, in het midden van het woud. De betovering was verbroken.
De zoon zonk op zijn knieën, kuste de zoom van zijn moeders kleed, nam haar in zijn armen en droeg haar naar huis. Hij vroeg haar hem te vergeven, maar ze had hem niets te vergeven, zei ze, want hij had niets gedaan dat haar boos op hém had gemaakt of dat haar had gegriefd. Tot slot trouwde hij met het lieve meisje dat misschien wel méér had gedaan dan wat aanmaakhout te schenken aan de oude moeder.
Zo leefden ze gedrieën nog lang en gelukkig, en op winteravonden verschenen de kabouters in de vlammen van het haardvuur.

Ik vind het niet zo eenvoudig om in dit Kroatische sprookje, geschreven door Ivana Brlić-Mažuranić*, een typisch ouderdomssprookje te zien, zoals Allan B. Chinen stelt. Zijn motivatie is doordrongen van jungiaanse interpretaties en van de ideeën van de ontwikkelingspsycholoog Erik Erikson (acht of negen taken die een mens in zijn leven heeft). Wat zeker wél zo is: de oude moeder krijgt af te rekenen met de keuze van haar zoon die de hare niet zou zijn. Iets wat menige ouder kan overkomen. Hoewel zij het ware karakter van haar schoondochter doorziet, kan zij er niets tegen beginnen; ze moet zelfs haar vernederende bevelen als een oude versie van Assepoester ondergaan. Als oude vrouw echter kent ze in de ontknoping geen rancune; generositeit past immers juister in de ontwikkelingstaak die Erikson haar in deze levensfase voorhoudt. Het is een gepastere oplossing dan een (onmogelijke) terugkeer naar weleer.

Bronnen:
Allan B. Chinen, In the Ever After. Fairy tales and the second half of life. 1989: Chiron, Wilmette.
Allan B. Chinen, Nog lang en gelukkig. Sprookjes en de tweede levenshelft. Cahiers Ouderdom en Levensloop. 1996: Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Diegem.
Allan B. Chinen: Once Upon a Midlife. Classic Stories and Mythic Tales to Illuminate the Middle Years. 2003.
Ivana Brlić-Mažuranić*, ‘Stribor’s Forest’ in: Croatian Tales of Long Ago. Londen: Allen and Unwin, 1924.
http://ivanomania.com/en/fairy-tales/stribors-forest/

Illustratie: Tomislav Tomic.

*Ivana Brlić-Mažuranić (1874-1938) wordt de Kroatische H.C. Andersen genoemd.

© 2018 Rob Vanderwildt voor deze Nederlandse bewerking.