Fortuna en de houthakker

 Jean-François_Millet_-_Bûcheron_(1850)

Ook als podcast

Er leefde eens, al lang geleden, en ook ver hiervandaan, een man die de kost verdiende met het hakken van hout. Hij en zijn vrouw woonden in een kleine hut aan de rand van een groot woud, dicht bij een bergstroom waarin de houthakker zijn boomstammen tot aan zijn woonst kon laten afdrijven. Hij had ook twee ezels, die in manden aan weerszijden van hun lijf houtblokken vervoerden naar het dichtstbijzijnde marktstadje, waar de houthakker het hout verkocht. Hij en zijn vrouw verrichtten hard labeur, en hoewel ze van hun geploeter van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, zomer en winter, in hitte en koude, niet rijk werden, waren ze tevreden, en koesterden zij elke dag weer het wonder dat het woud hun zoveel geluk wilde schenken. Dankbaar waren ze bovendien, toen de vrouw drie zonen ter wereld bracht.
De drie jongens groeiden op tot stevige kerels, en samen met hun vader konden ze nog meer hout hakken en verkopen dan ooit eerder in het leven van de houthakker het geval was geweest. Ze verdienden driemaal zoveel geld, maar nu ze niet meer met hun tweetjes waren, de houthakker en zijn vrouw, gaven ze ook driemaal zoveel uit aan eten en aan hun levensonderhoud. De houthakker vroeg zich op den duur af waartoe dit alles diende, en stelde zich vragen bij het wonder dat hij en zijn vrouw altijd hadden gekoesterd.
Ik word er geen cent wijzer van, mopperde hij steeds vaker. En toen na jaren de drie jongens het ouderlijk huis verlieten om hun eigen geluk te zoeken en een eigen nest te bouwen, was hij plots het harde werken beu. Hij besloot niet meer het woud in te gaan en bomen om te hakken, de zakken van de ezels vol te stouwen met blokken hout, en er voor de zoveelste keer mee naar het stadje te gaan. Waarom zou hij ook? Het bracht hem niet meer op dan dagelijks een boterham en dat wat de pot hem schafte. En ook dat werd steeds minder, nu hij ouder was, minder kracht had, minder hout kon kappen en minder verdiende, en zich voor het eerst in zijn leven arm voelde.
“Ik loop niet meer achter Vrouwe Fortuna aan,” zei hij tegen zijn vrouw, “ik heb te veel jaren van mijn leven aan haar gegeven in de verwachting iets van haar terug te krijgen, laat zij mij nu maar eens komen opzoeken. Ik vertik het nog langer.”
De vrouw van de houthakker schrok. Zo kende zij haar man niet, die altijd zo toegewijd was geweest, goedgehumeurd, blij van zin, genoot van het werken in de open lucht, graag zijn uitstapje deed naar het kleine stadje. En nu, nu barstte hij tegen haar uit, blafte haar af, vloekte, zette een kwaad gezicht, donder en bliksem, en trok zich terug in de slaapkamer waar hij onder de dekens kroop.
“Waar moeten we van leven,” smeekte ze hem, “als jij het bos niet in trekt om hout te kappen, we zullen omkomen van de honger. Wat haal je je in je hoofd. Dacht je nu echt dat Vrouwe Fortuna bij een arme houthakker op bezoek kwam? Zij bezoekt alleen rijke sultans en al die mensen die haar eigenlijk niet meer nodig hebben. Kom uit je bed.”

Maar de houthakker kwam zijn bed niet uit. Ook de volgende ochtend niet, zelfs niet nadat de haan al talloze malen het ochtendkrieken luidruchtig had aangekondigd.
“Waarom zou ik moeten opstaan?” gromde de houthakker tegen zijn vrouw.
“Om hout te kappen,” antwoordde ze.
Maar de houthakker was te ontmoedigd, te beschaamd voor zijn armoede, het voelde aan als een zwaar verlies, en alle zin ontvlood hem. Hij trok de dekens over zich heen en viel in slaap.
De vrouw verliet wenend de kamer en zette zich op een stoel aan de tafel, waarop zij haar hoofd in haar armen legde.
Plots schoot ze wakker van geklop op de deur.
Het was iemand die ze niet kende, een vreemdeling, die bij de hut de twee ezels van de houthakker had zien staan, en de vrouw vroeg of hij hun lastdieren even mocht lenen, want hij had een klusje te doen en kon dat niet alleen, en die ezels stonden daar toch maar. De vrouw wees naar de slaapkamer. “Mijn man ligt in bed,” zei ze, “gaat u het hem zelf maar vragen.”
“Doet ermee wat u wilt,” bromde de houthakker, “maar geef ze op tijd te eten en te drinken, en hoepel op.”
De vreemdeling trok de deur van de slaapkamer achter zich dicht, bedankte de vrouw en nam de twee ezels mee het woud in. De vreemdeling was geen gewone sterveling, maar een tovenaar, die dankzij zijn geheimzinnige krachten te weten was gekomen waar een grote schat verborgen lag. De schat was van een sultan, die hem daar verborgen had, omdat hij er zelf ook niet eerlijk aan gekomen was.
Zodra de vreemdeling-tovenaar op de bewuste plek was aangekomen, begon hij te graven, en hij diepte een massa goud en edelstenen en smaragden en juwelen op en vulde er de zakken van de ezels mee, die bijna door hun poten zakten door het grote gewicht. Meer konden ze echt niet dragen, daarom besloot de vreemdeling terug te keren.
Halverwege zag hij twee soldaten van de sultan naderen, en hij was als de dood dat ze hem te pakken zouden krijgen en hem arresteren. Tegen dit gevaar was zelfs hij niet opgewassen, want tovertrucs bestonden er niet voor. Hij rende weg, de soldaten galoppeerden zonder op te zien voorbij, en de ezels… die sjokten uiteindelijk verder naar de hut van de houthakker, de weg ernaartoe konden ze gemakkelijk zelf wel vinden, jarenlang hadden ze hetzelfde pad afgelegd.
Ze betraden het kleine erf net toen de vrouw van de houthakker buiten de was ophing. Ze schrok dat de ezels zo zwaar beladen waren, en riep om haar man. “Kom vlug, man, de ezels zijn terug en ze zijn veel te zwaar beladen, je moet de zakken van hun rug halen, anders bezwijken ze nog en dan hebben we helemaal niets meer!”
De houthakker gromde en riep dat hij niet zinnens was zijn bed uit te komen. De vrouw haalde uit de keuken dan maar een groot mes en sneed de touwen los waarmee de zakken aan de ezels waren vastgemaakt. De zakken vielen op de grond en scheurden open, en overal lagen nu gouden munten en edelstenen en juwelen, als een schitterende, glinsterende plas op het dorre erf.
Toen de houthakker zijn vrouw iets hoorde roepen over goud en juwelen, sprong hij zijn bed uit, en bij het zien van al die rijkdom maakte hij met haar een vreugdedansje.
“Je ziet,” zei hij triomfantelijk, “dat ik gelijk had: als je achter Vrouwe Fortuna aan jaagt, kijkt ze niet naar je om, als je niets doet, komt ze zelf naar je toe.”
De vrouw haalde haar schouders op en zweeg wijselijk. Ze deelden hun rijkdom met hun zonen en hun gezinnen, en met de armsten uit de buurt. En in hun oude dagen koesterden zij weer het wonder van weleer.


Ouder worden betekent veelal verlies. Doordat er minder toekomst is, met wellicht nog méér verlies, raakt men soms het vertrouwen kwijt dat er toch nog mooie gebeurtenissen mogelijk zijn.

Bronnen:
Allan B. Chinen, In the ever after. Fairy tales and the second half of life. 1989: Chiron, Wilmette.
Allan B. Chinen, Nog lang en gelukkig. Sprookjes en de tweede levenshelft. Cahiers Ouderdom en Levensloop. 1996: Houten/Diegem, Bohn Stafleu Van Loghum.
Allan B. Chinen: Once Upon a Midlife. Classic Stories and Mythic Tales to Illuminate the Middle Years. 2003.
Andrew Lang, ‘Fortune and the Woodcutter’ in: The Brown Fairy Book. 1914: Longmans, Green, Londen.
Vermeld bij Chinen: R. Gilstrap & I. Estabrook, ‘Allah Will Provide’ in: The Sultan’s Fool and Other North African Tales. 1958: Holt, Rinehart & Winston, New York.

Illustratie:
Jean-François Millet, ‘Bûcheron’, 1850.

© 2018 Rob Vanderwildt voor deze Nederlandse hertaling.