Een gift aan Jizo

Jizos

Ook als podcast

Het gebeurde, al lang geleden, in het aloude Japan, toen de hoofdstad van het keizerrijk Kyoto was en niet het meer noordwestwaarts gelegen Tokio, zoals heden ten dage het geval is.
In de nabijheid van een klein marktstadje woonden een oudere man en zijn vrouw, en zij hadden altijd een plezierig leven gehad, ze zagen elkaar graag, ze hadden het niet breed, ze overleefden de dagen met het maken en verkopen van hoeden van stro in de stad, dat was het werk van de man, die zeker elke week de tocht heen en weer naar het stadje maakte met een lading hoeden; en de vrouw verzorgde de moestuin, zo hadden ze altijd groenten, en eten.
Maar stilaan waren ze niet jong meer, en het werken, het alle dagen hele dagen bezig zijn, begon hun zwaarder te vallen, en zo ging het langzaamaan alle dagen wat minder met ze, ze werden zelfs arm, de schamele centen die ze opzij hadden kunnen leggen voor hun oude dag, hadden ze moeten aanspreken.

Toen, op de ochtend van de laatste dag van het oude jaar, vonden ze in hun trommel geen geld meer om rijstkoekjes te kopen, en rijstkoekjes die had je in het oude Japan nodig om Nieuwjaar te vieren. Wat nu gedaan? Het schoot de oude man te binnen dat hij nog zeven onverkochte hoeden had liggen, hij zei tegen zijn vrouw dat hij naar de stad zou gaan en zou proberen ze te verkopen. “Dat is een goed idee”, zei zijn vrouw. Ze zette hem een van de hoeden op en bond deze met een lint stevig vast onder zijn kin, de andere zes hoeden gingen aan een stok, die de oude man over zijn rug zwaaide, niet meer zo elegant als hij ooit gewoon was geweest, maar het lukte toch nog. “Tot vanavond,” zei hij.
Het was geen gemakkelijke tocht, al had hij die al duizenden keren gedaan, maar het had gesneeuwd, het was koud, en glad hier en daar. In de stad waren de mensen druk bezig met hun eigen nieuwjaarsinkopen, en putteke winter, dan denk je niet meteen aan het kopen van een strooien hoed. Da’s iets voor als het mooi weer is. Dus tegen de avond had de oude man niets verkocht, en een beetje in de put begon hij aan de terugtocht naar huis.
Onderweg passeerde hij weer het groepje van zes beelden die aan de god Jizo waren gewijd, Jizo, de beschermgod van de jeugd, van de jonge jaren in een mensenleven. Daar stonden ze, de beelden van Jizo, er zijn er miljoenen van in Japan, maar deze stonden in de sneeuw, ze moesten het wel koud hebben, dacht de oude man, hij dacht aan zijn eigen jonge jaren die dankzij Jizo goed verlopen waren, hij kon niet verdragen dat Jizo daar nu zo rillend van de kou stond, wilde hem niet in de steek laten, hij die zo goed voor hem en voor zijn vrouw en voor zoveel andere mensen, was geweest, en nam zes hoeden van de stok die hij over zijn schouder droeg en zette een hoed op het hoofd van elk beeld en bond ze met het lint onder hun kin vast. Met een traditionele buiging als eerbetoon nam hij afscheid.

Thuis vertelde de man aan zijn vrouw hoe het hem was vergaan, dat hij niets had kunnen verkopen, en dus ook geen geld had verdiend om rijstkoekjes te kopen voor oudejaarsavond. De vrouw zuchtte, maar glimlachte toen haar man vertelde dat hij de zes onverkochte hoeden had opgezet bij de zes Jizobeelden niet ver van hun huis vandaan. Ze zei dat hij daar goed aan had gedaan, en dat Jizo hem er dankbaar voor zou zijn dat hij hem had geëerd, hij, de goden van hun jongere jaren.
Ondanks hun wat schrale oudejaarsavond, gingen ze, met een niet zo goed gevulde maag, maar met een blij gevoel vroeg naar bed.
Ze schrokken wakker van een geluid waarvan ze dachten dat het van vuurwerk kwam vlakbij, maar dat was het niet, begrepen ze algauw. “Wat zou dat lawaai zijn?” De oude man en de oude vrouw spitsten hun oren zo goed als ze dat nog konden, ze hoorden zingen, dachten ze, en op hetzelfde moment ging de deur van hun kamer als vanzelf open, en werd er een zak naar binnen gegooid, die openviel, en waarin de mooiste rijstkoekjes bleken te zitten die de oude man en vrouw ooit van hun leven hadden gezien. Versgebakken koekjes. Zoetgeurende koekjes. Nog nooit had zelfs de oude vrouw zulke fijne rijstkoekjes gebakken.
Met hun stramme benen kwamen ze uit bed en sloften naar het raam, en daar zagen ze de zes Jizobeelden,h ze droegen alle zes een strooien hoed, nog steeds goed vastzittend met een lint onder hun kin geknoopt, ze draaiden zich om, en maakten een diepe buiging naar de oude man en de oude vrouw alsof ze hun een gelukkig nieuwjaar wensten.
Het kan nooit kwaad de beschermgod van je jeugd te blijven eren, dacht de oude man bij zichzelf, en zijn vrouw deelde dezelfde gedachte. “Zo zie je maar,” mompelde ze fluisterend voor zich uit, maar de oude man had haar gehoord en keek haar liefdevol aan, legde een arm rond haar schouders, en zij schonk hem een warme glimlach.


Noot:
Van dit sprookje bestaan vele versies, maar allemaal komen ze erop neer dat het leven ook in de tweede helft nog fijne verrassingen in petto kan hebben, en dat opgeven niet altijd loont. Ook trouw blijven aan wie je geworden bent, en aan wie je dat mede te danken hebt, is een mooi goed als je ouder wordt.

Bronnen:
Allan B. Chinen, In the ever after. Fairy tales and the second half of life. 1989: Chiron, Wilmette.
Allan B. Chinen, Nog lang en gelukkig. Sprookjes en de tweede levenshelft. Cahiers Ouderdom en Levensloop. 1996: Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Diegem.
Allan B. Chinen, Once Upon a Midlife. Classic Stories and Mythic Tales to Illuminate the Middle Years. 2003.

Nu ook als podcast.
Credits begintune: Stef Conner & The Lyre Ensemble, ‘Come Sit Closer’ (fragment), The Flood. With their kind courtesy.
Verhaaltune: Jarby Mc Coy, ‘Pling-Plong’, Démos et vieilleries’, via Free Music Archive.

© 2018 Rob Vanderwildt voor deze Nederlandse hertaling.