De dankbare vis

psx_20180221_223322-518117835.jpg

Ze waren arme oude mensen, de visser en zijn vrouw, dicht opeengepakt samenwonend in een bouwvallig hutje aan de zee, en hun verhaal gaat heel ver terug in de tijd. Wat ze zoal de ganse dag deden, het was niet gek veel meer dan dat de man ’s morgens naar de zee ging, viste, en dat zijn vrouw met de gevangen vis naar de markt ging en de vis daar verkocht. Een vis per dag, je blijft in de armoe hangen. Ze hadden de kracht niet meer om méér te doen. Zitten op hun stoeltje voor de hut. Dat ging. De einder zoeken. Vragen of daar het einde lag. Maar het was alles. Een antwoord was er niet.
Op zekere dag strompelde de man weer naar de zee. Zijn vrouw keek hem na en had met hem te doen. Hij wordt oud, dacht ze, maar ik ook, wat brengt morgen? De man gooide de vislijn uit, en zette zich op het krukje dat hij had meegebracht en wachtte af. Meestal duurde het nooit lang voor hij beet had, vandaag leek geen vis zich iets aan te trekken van ’s mans armoe, geen enkele beet, en de man dacht, ik kan beter naar huis gaan, hij begon zijn vislijn in te halen, maar daar ondervond hij ineens veel weerstand bij. Dat moest wel een dikke vis zijn! Hij kreeg hem met bovenmenselijke inspanning op het strand, en zag, amechtig, dat de vis een grote dikke karper was. Tot zover alleen maar geluk hebben, dacht de oude bij zichzelf, maar plots keken hij en de vis elkaar recht in de ogen, een fractie van een seconde maar, en de man zag een blik die om mededogen smeekte, het leek of de karper de oude man bad en smeekte hem van de vislijn af te haken en hem als een vrije vis terug te werpen in de zee. Hij aarzelde niet. De oude man. Hij was bijgelovig genoeg om te menen dat de vis een heilige vis moest zijn en wierp hem terug. Eenmaal in het zoute water stak de vis zijn kop nog een paar keer erbovenuit en keek de visser aan met blikken van diepe dankbaarheid, en verdween dan in de golven.

De volgende dag slenterde de oude visser naar zijn vaste stekje terug. Hij was daar wel graag. Zitten mijmeren op zijn haveloze krukje waarvan de stof al wat gescheurd was. De einder fascineerde hem zijn leven lang al. De zee zelf. De diepte. Diep, wat is dat? De geheimen in het diepe water. Waren er daar ook mensen? Vissen genoeg, maar ménsen?
Algauw tijdens zijn eerste mijmeringen daagde er een kleine jongen op, als uit het niets. Hij droeg de traditionele rieten hoed. Hij maakte de klassieke buiging met de handpalmen tegeneen voor zijn jonge gelaat. “De Drakenkoning van de Onderzee,” zei hij stil, “heeft mij naar u gezonden om u een boodschap over te brengen. Hij is u veel dank verschuldigd, begrijpt u, omdat u het leven van zijn jonge zoon, de prins, hebt gespaard, gisteren. Hij wil dat u met mij meekomt naar zijn paleis. Komt u nu met mij mee.”
De jongen keerde zich naar de zee en sprak een toverformule. De golven gingen uiteen, zodat er een breed pad open kwam te liggen. De jongen zette de eerste stap, de ouder visserman volgde hem. Ze legden een grote afstand af, ten slotte kwamen ze aan een groot paleis, voor de poort stonden wachters in prachtige lange jassen tot op hun wreven bijna. De jongen en de oude man kregen vrije doorgang, de oude man keek zijn ogen uit, zoveel moois was er te zien terwijl zij voortstapten, nog nooit had hij zoiets gezien. Bij het allermooiste gebouw hielden ze halt, de jongen maakte een klein gebaar naar de oude man, op korte afstand van hen stond een bijzonder waardig uitziende persoon hem op te wachten, hij was schitterend gekleed en droeg een gouden kroon op het hoofd. Dat moet de Drakenkoning van de Onderzee zijn, dacht de oude man bij zichzelf. De koning kwam op hem toe en sprak, een diepe buiging makend: “Hoogst welgekomen in mijn paleis. Het is fijn dat u er nu bent.”

De oude man viel in het paleis een zeer grote eer te beurt, werd met alle egards ontvangen, kreeg een behandeling alsof hij een gelijke was van de koning zelf. Dagelijks werd er kwistig gefeest, er werden schotels opgediend met gerechten en lekkernijen waarvan hij zelfs niet wist dat ze bestonden. De hele dag door klonk door het paleis zoete muziek, op instrumenten gespeeld belegd met paarlen en edelstenen, maagden als engelen voerden hemelse dansen uit. Vele dagen bracht de oude visser door in een extase van geluk, zo ver verwijderd van alle zorgen van alledag die hij zijn hele leven in de gewonemensenwereld had gekend. Dagen van, een noveen van één langgerekte roes.
Een roes duurt echter niet eeuwig. De oude visser begon zijn oude vrouw te missen, besefte dat zij nu geheel alleen in hun hutje zat, en in het geheel niet wist waar haar man uithing, of hem iets overkomen was, ze moest zich wel erge zorgen maken.
Vandaar dat hij naar de koning ging en hem smeekte hem weer naar huis te laten gaan, waar de koning niet zomaar mee wilde instemmen, de oude man bleef echter standvastig aandringen en uiteindelijk gaf de koning contre-cœur toe.

Op de morgen van zijn vertrek sprak de jonge prins, die zijn leven te danken had aan de oude visser, de man aan. “Mijn vader zal u ter afscheid een geschenk willen aanbieden,” zei hij. “Als hij u vraagt wat u wilt hebben, vraag dan om de metalen maatbeker die naast zijn troon staat. Deze beker is zowat het kostbaarste dat ons koninkrijk bezit: als je je iets wenst, dan heb je dat maar te zeggen, en je hebt het onmiddellijk.”
Toen het moment van afscheid daar was, en de koning hoorde welke wens de visser had, schrok hij danig. “Dat is het enige dat ik u onmogelijk kan geven,” zei hij. “Vraag wat u wilt, en u krijgt het, maar niet de beker.” De prins, die naast de troon stond, boog naar zijn vader voorover en fluisterde hem in het oor: “Vader, die man heeft mij het leven gered. Wat is u meer waard? Uw zoon of de beker? Geef hem wat hij vraagt.” Veel kon de koning daar niet op zeggen en hij schonk de visser de maatbeker. “Tot ziens, mijn vriend, dat geluk altijd uw deel zal mogen zijn.”

De oude visser was verheugd naar huis te kunnen terugkeren, en zijn vrouw was dolgelukkig hem levend en wel weer te zien. Hij vertelde haar over zijn avonturen in de Onderzee en over de magische maatbeker, ze wilden het meteen uitproberen, dat is heel begrijpelijk, dat is geen ongeduld, en ze wensten zich als eerste een betere woonst, en zodra ze deze wens hadden uitgesproken, was hun schamele hut verdwenen en woonden ze in een echt huis met een echt dak van echte pannen waardoor geen regen meer binnenkwam. Ze wensten zich ook wat voedsel en de maatbeker stroomde over van de rijst, en de stroom hield niet op, de oude man en de oude vrouw konden zorgeloos leven en zelfs hun bezit delen met wie het nodig had, wat ze graag deden. Ze stegen daardoor in hoog aanzien in hun omgeving, en niet alleen in aanzien, ook in achting, en ze werden steeds vriendelijker bejegend.
Helaas is er altijd wel iemand die afgunstig is en het liefst alles voor zichzelf heeft; zulke mensen zijn er altijd geweest en zullen er ook altijd zijn, hoe oud de wereld ook worden zal. Zo was er een lepe, gemene vrouw, die erachter probeerde te komen waar de twee oude mensen hun maatbeker in huis verborgen hielden, want dat er sprake was van een magische beker, dát was allang het geheim niet meer. En ze kwám erachter, en algauw werd in een nacht de maatbeker gestolen, en de oude visser en zijn lieve oude vrouw vervielen in dezelfde armoede waarin ze vóór de reis naar de Onderzee hadden verkeerd. Op den duur hadden ze zelfs geen centjes meer om eten te kopen voor hun hond en hun poes, hun lievelingen, en op hun beurt hadden de hond en de poes medelijden met hun baasjes. Ze keken elkaar aan en ze begrepen zonder woorden dat ze erop uit zouden gaan om de beker op te sporen, en wonderwel, het lukte ze; ze vonden de beker bij het lepe mens thuis aan de andere kant van de rivier. Ze gristen de beker weg en bij de oever nam de poes de beker in haar bek en ze zette zich op de rug van de hond, die de rivier inliep en naar de overkant begon te zwemmen. Onderweg maakte hij zich zorgen of de poes de beker nog had, en hij vroeg het haar, maar zij kon niet antwoorden, en daar werd de hond na een paar keer vragen wat nijdig van. Hij stopte met zwemmen en vroeg: “Waarom geef je geen antwoord als ik je iets vraag?!” – Nu moest de poes wel iets zeggen, maar toen ze haar bek opendeed… plonsde de beker in de zee.

Aan de andere oever aangekomen, waggelde de hond met de staart tussen de benen weg, diepbeschaamd over de stommiteit die hij had uitgehaald. De poes trippelde nog even langs het strand, ze had honger gekregen en hoopte iets te vinden. Ze zag dat een visser een vis weggooide die hij dood in zijn net had aangetroffen. De poes pakte de vis en liep ermee naar het nu krottige huis van de visser en zijn vrouw. Die waren blij met de vis, de vrouw ging ze meteen schoonmaken, maar toen ze de vis opensneed, viel ze welhaast flauw van verbazing: in de buik van de vis zat… de maatbeker… En zo was alles weer in orde gekomen. Ze woonden weer in hun echte huisje met het echte pannendak waar het niet meer naar binnen regende. Ze zaten weer op hun stoeltjes voor zichzelf uit te mijmeren, niet meer zoekend naar de einder maar ernaar kijkend, ze zagen de diepe zee aan hun voeten en ze wisten dat er vele vragen waren, maar antwoorden hoefden ze nu niet meer.


Waar precies zit in dit door Allan B. Chinen gekozen ouderdomssprookje het element ouderdom? Ik denk tamelijk in het begin (“maar plots keken hij en de vis elkaar recht in de ogen”), als de visser bezwijkt voor de blik van de karper en de vis teruggooit in de zee. Dat is een radicale breuk met wat hij sedert jaar en dag voor zijn dagelijks brood heeft gedaan: vis vangen, zonder mededogen. Het is zoals in het verhaal van de houthakker, die van de ene dag op de andere stopt met werken en in zijn bed kruipt.
Behalve deze breuk met het arbeidzame leven – die meteen in narratieve zin de crisis is – gebeurt er nog iets bijzonders, namelijk dat de oude man nu wél van mededogen getuigt door iemand het leven te sparen. Het hoeft geen nadere uitleg, dat een dergelijke verandering (van “hard” naar “zacht”) een typische ouderdomsverandering is, zoals ook door Erik Erikson als taak omschreven wordt. Dat er na het geluk met de maatbeker nog even wat tegenslag volgt (de diefstal en de terugval), doet geen afbreuk aan het narratief; het is hoogstens een bijkomend, zelfs – met die hond en die kat in die rivier – wat humoristisch element. Overigens zit dit Koreaanse sprookje vol met mooie sprookjesmotieven: de armoede, de diepe, niet te peilen diepte van de zee (volgens Jung symbool voor het onderbewuste), de reis naar (de roes van) het onbekende, de terugkeer, de verandering.

Bronnen:
Allan B. Chinen, In the Ever After. Fairy tales and the second half of life. 1989: Chiron, Wilmette.
Allan B. Chinen, Nog lang en gelukkig. Sprookjes en de tweede levenshelft. Cahiers Ouderdom en Levensloop. 1996: Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Diegem.
Allan B. Chinen: Once Upon a Midlife. Classic Stories and Mythic Tales to Illuminate the Middle Years. 2003.
Zong In-Sob (ed.), Folk Tales from Korea. Silk Pagoda, 2007. e-book, http://www.silkpagoda.com. Het verhaal zou aan Zong In-Sob verteld zijn door Zong Dog-Bong in 1915.

© 2018 Rob Vanderwildt voor deze Nederlandse bewerking.

Bron illustratie: Teylers Museum Haarlem.