Exoot

Ik geef toe dat ik op 10 april 1947 ter wereld kwam in de Nederlandse prinsenstad Breda in de provincie Noord-Brabant, waarnaartoe mijn vader in 1946 door zijn werkgever was overgeplaatst.
Ik geef toe dat mijn vader veertig jaar eerder, op 16 augustus 1906, in Amsterdam geboren was uit het samenleven van zijn Belgische moeder (Duffel, 1867) met een Nederlandse man (Amsterdam, 1863), buitenechtelijk, zodat hij noodgedwongen de familienaam Vanderwildt kreeg, naar de spoorloos verdwenen, maar nog altijd wettelijke echtgenoot (Ruisbroek-Sauvegarde, 1864) van grootmoeder Cleerbaut.
Ik geef toe dat ik biologisch aldus geen Vanderwildt-Cleerbaut ben, maar een Van SwollCleerbaut. Pakweg voor 25% Belgisch.
Ik geef toe dat ons ouderlijk gezin in 1950 reeds weer noordwaarts, naar Haarlem, verhuisde, mijn vader honderd procent geassimileerd was, het Wilhelmus zong met krop, en op feestdagen de driekleur uithing, en ik als Nederlander ben opgegroeid. “Op de blanke top der duinen.”
Ik geef toe dat ik in de loop der jaren 1960 Antwerpen vond en er mijn hart verloor. Binnenrijden in het centraal station en “de torentjes” zien betekende: Ik ben weer thuis. Ik wil door straten gaan dwalen, mijn ziel amoureus.
Ik geef toe dat ik nooit aangesloten ben geweest bij de Antwerpse Oranjeclub, geen Nederlanders in mijn vriendenkring had of heb, en voor het laatst een oranje traan heb gelaten toen in 1968 de Nederlandse wielrenner Jan Janssen nipt de Ronde van Frankrijk won met ocharme 0’38” op de onfortuinlijke Herman Van Springel. (filmpje)

Ik geef toe dat het daarna over was en dat ik in de vijftig jaren die volgden een flinke bijdrage heb geleverd aan het Antwerpse nachtleven, de samenleving, de cultuur, het sociaal-artistieke veld, veelal op eigen (freelance) kracht, en voor een habbekrats.
Ik geef toe dat ik in de jaren 1970 in een VW’tje van de TUM heel Vlaanderen heb doorkruist als verslaggever voor het toenmalige weekblad Ons Land Panorama, en dat in de jaren 2005-2015 nog eens heb overgedaan als verteller, veelal voor onze oudere medeburgers en met hen ook nog een twaalftal narratieve sociaal-artistieke projecten heb gedaan. Lesgegeven noord-oost-zuid-west.
Ik geef toe dat ik dit niet zeg om te stoeven, mijn leeftijd noopt me stilaan wél tot een balans.
Ik geef toe dat ik in 2011 de Belgische nationaliteit heb verworven en mij in mijn gedragingen niet “Nederlands” manifesteer, ik zie er ook niet zo uit, meet slechts 1m72, heb geen aanstormend gebit, straal geen blakend zelfvertrouwen uit, draag kleding van H&M, en spreek niet luid. Je herkent mij op zaternamiddag in de Schuttershofstraat, het voormalige quartier latin, niet aan een rode velouren broek, gele sokken, schoenen met gaatjes en een jasje dat Dries Van Noten je niet zou durven te verkopen.
Maar tot mijn spijt – ik geef toe – heb ik niet het talent gehad de uitspraak van mijn taal niet-Nederlands te laten klinken.

Nu heb ik een vraag: Hoe komt het toch, hoe komt het toch dat ik al die jaren geregeld tegen mensen aanloop die mij na mij drie woorden te hebben horen uitspreken, al bestormen met de vraag waar in Nederland ik vandaan kom; of ik ook hier woon; die mij vragen of ik de olympische winterspelen volg en dat de Nederlanders het zo goed doen; dat ik dankzij de kleine v in van der Wildt een typisch Nederlandse familienaam heb, terwijl de oorsprong juist een grote V is van Vanderwildt, een wijdverbreide naam in het Belgische Klein-Brabant; op een buurtvergadering toont een aanwezige zich uiterst verrast over mijn aanwezigheid, “want Oranje speelt toch vanavond?”; als ik een opmerking maak over een formulering in een overeenkomst, zegt men dat dat misschien in Nederland van belang is maar hier niet; “jullie” zijn zo directer – “Jullie!”; iemand snauwt me toe: “Jij, jij komt uit een ander land!”
Het heeft de laatste jaren tot gevolg gehad dat ik mij in het openbaar nog weinig of liever helemaal niet meer laat horen. Dat is een spijtige zaak.
Het heeft me wel begrip bijgebracht voor het gevoel dat nogal wat medeburgers van cultureel exotische afkomst hebben, die zelfs niet eens iets hoeven te zeggen, zelfs geen drie woorden, namelijk dat hun voorkomen al voldoende is om er niet helemaal bij te horen.
Het heeft me doen nadenken over kwesties als integratie, inburgering, assimilatie, (behoud van) identiteit.
Ik heb het betreurd dat mijn vader zo weinig, zo bijna niks heeft verteld over het Antwerpen dat hij als kleine jongen, in de eerste tien jaren van de vorige eeuw, gekend had, en me wat dat betreft niets heeft doorgegeven. Anderzijds begrijp ik zijn assimilatie, die hem in staat stelde te overleven.
Toch heeft hij iets van zijn identiteit ontkend, iets achtergehouden. Met mijn wil echter om er hier op en top bij te horen – en echt klagen heb ik uiteraard niet; daarvoor zijn er te veel lieve mensen die mij niet zien als een exoot – maak ik wellicht dezelfde beweging als mijn vader heeft gemaakt: het afzweren van een deeltje van mijn identiteit, alsof je uit een fotoalbum foto’s losscheurt en deze weggooit. Met andere woorden: maak ik dezelfde”fout”?

Het blijft een boeiende kwestie.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s