Tussen(de)ruimte

Van letters heb ik altijd gehouden, al was ik me daar in vroeger jaren niet van bewust.

Op de lagere school in Haarlem – in een andere stad zou het wellicht niet anders zijn geweest, maar in de stad van Laurens Jansz. Coster (!) ben ik nu eenmaal opgegroeid – kon ik goed voorlezen, en vaak mocht ik dat ook. De juf van de tweede klas heette juffrouw Campfens en zij woonde op de Rijksstraatweg. Bij toerbeurt droegen we haar zware boekentas voor haar naar haar huis.

Ik zag letters denk ik nooit als op zich staande tekens, maar telkens als kleine verzamelingetjes tekens, letterlijk lettergrépen, aa-p, die woorden vormen. Uit mijn rechterooghoek zag ik ze al aankomen; daarom kon ik ook snél lezen.

De chocoladeletter die wij met het Hollandse sinterklaasfeest kregen, vond ik het jaarlijkse hoogtepunt in mijn ontluikende letterliefde; nochtans overleefde hij, de letter zelve, de blijdschap niet heel lang, wat te wijten was aan mijn snoep- of suikerzucht, en aan mijn, sinds een zware geelzucht of hepatitis A op vijfjarige leeftijd, haat-liefdeverhouding met chocolade…

Mijn eigen handschrift zelf was overigens abominabel. Een autistische leraar op de middelbare school trok daar ook punten voor af. Idioot. Slechtste leraar van de school. En ooit. Gemankeerde, gerateerde artist, boezemvriend van Godfried Bomans.

In de jaren 1960 ging ik, wat dolend, ik was negentien, en zonder zicht op de einder, in Antwerpen werken in een drukkerijtje: Imprimeriepapeterie Guiette aan de Minderbroedersrui. Ze verkochten er papierwaren en drukten visitekaartjes en briefpapier en rouwbrieven en ander familie- en handelsdrukwerk. Ook nog in het Frans.

Behalve Gérard, de patron, werkten er mevrouw Hillen als gestrenge winkeljuffrouw van Duitse komaf; Willy S., een onstuimige, bebaarde, hippieachtige drukker, die er niet altijd was omdat hij een lief had in het honderddertig kilometer verderwegge Leiden. Daar ben ik hem veel later nog eens tegengekomen. Hij heette toen op z’n Nederlands Wim in plaats van op z’n Vlaams Willy. Het was zijn verzet. Van Vlaanderen moest hij niets meer weten.

Ik zou de letterzetter van het kwartet worden, maar kende er niets van. Gérard heeft het me op een paar dagen tijd geleerd en ik vond het een fijn vak. De zethaak in de linkerhand en op den duur blindelings grijpend naar de loden staafjes in de letterbakken, die als laden in de zetbok geschoven werden. Een zesde zintuig voor zetfouten was mijn geluk. Ik was een goeie zetter geworden.

Er kwam een andere drukker; de Willy bleef wat al te vaak bij zijn lief in Leiden overnachten. Aloïs was de geknipte man voor dit drukkerijtje, want wat drukwerk betreft, kon hij werkelijk alles. Op de Heidelberger degel (!) drukten we vierkleurendruk op papier dat qua formaat buiten de machine uitstak, en dan dus nog een keer erdoor, voor het bedrukken van het aanvankelijk uitstekende gedeelte. En dan nog de andere zijde. Rekto-verso. Zestien keer door de machine. Of etiketjes van drie bij zes centimeter die al op dat formaat gesneden waren maar waarop toch nog een codenummer moest. Heroïsch. Nam ik de bediening van de afgestelde drukpers over en gingen we nachtjes door. Dagenlang met alleen blauwe inkt drukken betekende dagenlang blauwsnuiten.

Nachtjes doorgedaan. Ook in de kroeg.

Vóór die tijd overigens had ik geregeld mijn oudste broer Frans geholpen, die al eerder dan ik naar Antwerpen was verkast, en in zijn kelder wat aanrommelde met zeefdruk, een in de jaren negentigzestig fel opkomende, want op zich niet zo moeilijke en weinig investering eisende druktechniek.

Tekstvormen maakte je met afwrijfletters van Mecanorma of Letraset. Lettertje voor lettertje. Doorgaans grote letters, vaak ook kapitalen, hoofdletters, relatief weinig tekst. Zeefdruk was voor affiches, posters. Het was vaak vloeken, omdat dat afwrijven niet altijd van een leien dakje liep, maar je leerde wel verdraaid goed spatiëren, de ruimte tussen letters in balans brengen, want dat is geen geometrie, aan een meetlat heb je niks. Op het oog. Intuïtie.

Bekijk de lettercombinatie HIIJ op de foto, en je ziet meteen dat er bij dit lettertype te veel wit zit tussen de I en de J (onder de hand), zeker in vergelijking met de HHII-combinatie er vlak voor. Daar valt best een mouw aan te passen. Je geeft wat meer spatie, ‘wit’, tussen de H en de I, in verhouding tot de tussenruimte die er vanzelf al is tussen de I en de J. Met loden letters gebruikten we ‘spaties’, dunne loden of metalen staafjes ter diepte van de letter. Was zelfs een halve spatie teveel, dan haalden we onze sigarettenblaadjes tevoorschijn, scheurden er een reepje af en deden dat tussen de letters. Zo gebeurt dat de dag van vandaag niet meer. Nu ‘kernen’ we op de computer, zowel plus… als min!

Of een woord of een rijtje woorden in kapitalen goed gespatieerd is, ik let er altijd speciaal op. Afwijking. Deformatie.

Zeker bij lettertypen van de jaren negentiendertig is spatiëring medebepalend voor het woordbeeld. Zo schrok ik me een hoed, toen ik in het aan de Franse Baie de Somme gelegen plaatsje St Valery op het toeristisch stationnetje dit schoolvoorbeeld van hoe het dus niet moet, zag staan. Merde:

Wat had ik graag mijn afspatiëringsdriften gebotvierd…

Een fijne (fiets-) vakantie was het overigens wél.

Een gedachte over “Tussen(de)ruimte

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s