Soldaat op wacht

Vader MilicienAls het nu geen 2017 was maar 1937, mijn vader zou wellicht zo uitgedost wacht gelopen hebben op de Meir in Antwerpen. Of elders in het land. Wegens terreurdreigingsniveau 3. In 1937 ging het om de dreiging van het nazisme, na de mobilisatie in Duitsland in 1936. Sedert de studie van Maarten Boudry weten we dat het nazisme gelukkig minder afschuwelijk was dan het jihadisme van vandaag dat is. Je moet er maar opkomen. Boudry heeft zich inmiddels stevig vastgereden in de polemische modder die hij zelf heeft gecreëerd, en maar goed ook.

Maar in beide tijden stond de soldaat op wacht om de bevolking op z’n minst een gevoel van veiligheid te geven. Alleen een gevoel. De soldaat heeft destijds immers – begrijpelijkerwijs – weinig kunnen uitrichten tegen de inval van nazi-Duitsland, en vandaag heeft de soldaat vooralsnog in de eigen contreien geen vuist kunnen maken tegen het jihadisme. De soldaat heeft bij mijn weten geen aanslagen in Europa voorkomen. Hij is wel al enkele jaren in het (Antwerpse) straatbeeld aanwezig. Bij het binnenkomen van een cinemacomplex als dat van Kinepolis, staat hij zwaar bewapend klaar om mij eraan te herinneren dat er gevaar 3 dreigt. Ik voel mij niet veilig dan. Integendeel. Eenmaal hen voorbij, sta je onbeschermd in een zalenverzameling. Liever niet meer naar Kinepolis. Ik toch niet. Genoeg mensen die blijven gaan voor films met veel “actie” erin. Terminator 2: Judgement Day bijvoorbeeld. Bravo.

Natuurlijk, er zijn ontroerende, iconische beelden gemaakt in de Antwerpse joodse wijk, waar de soldaat zeer opvallend en talrijk aanwezig is, van een geanimeerd gesprek tussen een orthodox-joodse medeburger en soldaten, en van een soldaat die een orthodox-joods jongetje helpt met zijn fietsje waar iets aan stuk is. De Antwerpse joodse gemeenschap wordt al sinds 1981 (bomaanslag in de Hovenierstraat; drie doden, honderdtal gewonden) niet meer in het bijzonder door terrorisme geviseerd. Een koerier van zichtbaar Noord-Afrikaanse herkomst levert doodgemoedereerd pakketten af bij een joodse school terwijl de soldaat nauwelijks geïnteresseerd toekijkt, wellicht gewaarschuwd voor het risico van “etnische profilering”. Goed dat ze er staan, zegt men.

Tevergeefs heeft onze moslim-medeburger gevraagd om ook in zijn straat eens een soldaat te zien passeren, want onder het jihadistische geweld vallen veel moslim-slachtoffers, maar tevergeefs dus, de relaties van ’t Stad met specifieke bevolkingsgroepen zijn ondoorgrondelijk. Liever vrijt men de ene groep, die ook op internationaal niveau niet van extreme orthodoxie gevrijwaard is, op, en bespioneert men de andere met camera’s en ontwaart men bij hen opvallende gelijkenissen tussen passanten op de Turnhoutsebaan in Borgerhout en de terroristen op de Barcelonese ramplas. Il faut le dire. Evenzogoed had De Wever kunnen zeggen dat van de White Supremacists in Charlottesville best wel wat look-a-likes in onze straten, en op onze internetfora, te zien en te horen zijn. Alleen dát durft hij niet, áls hij het al zou vinden (maar waarschijnlijk niet dus.)

Ondertussen gaat het met de soldaat minder goed. Wetenschappelijke en journalistieke commentatoren hebben er al vaak het hunne over gezegd. In De Standaard van 30-08 zet Wally Struys, professor emeritus aan de Koninklijke Militaire School, de argumenten contra de soldaat op straat zorgvuldig en zonder pathos bijeen. “Laat militairen weer militairen zijn”. De argumenten contra komen neer op het kapitaalverlies van de hoogopgeleide militair die nu zijn dagen volstrekt doelloos slijt ergens op straat. Zijn of haar opleiding is gesofisticeerd, neemt tijd in beslag, is duur, en rendeert nu niet, en wordt bovendien niet langer door oefening en/of deelname aan internationale opdrachten op peil gehouden. Struys stipt aan dat er bij de soldaat verveling ontstaat, demotivatie en demoralisering. Ook vindt hij dat het niet de taak van de soldaat is om burgers te beschermen; dat is een taak voor de politie, die in principe (!) wél is opgeleid voor missies in (stedelijke) burgergemeenschappen. De regering, zo stelt hij, heeft na dertig verlengingen van het in januari 2015 “impromptu” genomen besluit soldaten letterlijk op straat te zetten, nu wel tijd genoeg gehad om met duurzame en financieel meer verantwoorde oplossingen te komen.

Struys meent voorts dat de soldaat op straat wel psychologische steun biedt aan de burgers en het vertrouwen bij de bevolking heeft verhoogd. Ook zouden gevoelens van antimilitairsme gemilderd zijn. Ik durf het te betwijfelen; alleszins deel ik dit deel van zijn opinie niet.

Je moet natuurlijk een cynicus van het zuiverste water zijn als je ooit had durven voorspellen dat er ooit eens “ongelukken van zouden komen”. En toch is het gebeurd. Een Somalisch-Belgische man uit Brugge valt in Brussel soldaten aan met een mes en wordt neergeschoten. Dood. De regering is vol lof over de adequate militaire reactie. En ziet erin het bewijs dat het toch héél goed is dat er soldaten zijn in de straten. Dát vind ik nu pas een zuiver cynische redenering: je zet soldaten in de straat, ze worden aangevallen, ze doden de aanvaller, en dan zeg je: Goed gedaan, mannen. Joodse mensen zouden dit een gotzpe noemen. Tot overmaat van ramp bleek na enkele dagen dat de Somalisch-Belgische medeburger ernstige psychische problemen had, en zo heeft de soldaat een patiënt dus geholpen door hem de uitgelokte zelfdoding te bezorgen waar hij wellicht op uit was. Ik heb over deze tragische ontknoping geen enkel regeringslid – en ook geen enkel, nu ineens timide medium – ook maar iets horen zeggen. Ook geen uitleg gehoord over de politieagent(e) – de niet-soldaat – die met getrokken wapen gericht op de Bruggeling, mee op een van de vele persfoto’s van het incident staat.

Is dit wat men bedoelt met collateral damage? “Nevenschade”, schade die er nu eenmaal bijhoort, er in feite helemaal niet toe doet; waarvoor niemand verantwoording hoeft af te leggen? Hoe voelt de soldaat die schoot zich nu hij dit weet?

Zou het nog steeds goed zijn, volgens de regering, dat de soldaat rondloopt in onze straat? Ik vrees van wel. Veel écht nadenken hierover, luisteren naar deskundigen, doen ze alleszins niet.

Ikzelf zou ze graag zien verdwijnen; ik zou me veiliger voelen. Als ik nu in Antwerpen rondfiets, schiet me telkens de titel van een van Van Ostaijens dichtbundels te binnen: Bezette stad.

Mijn vader werd overigens na korte tijd voor de dienst afgekeurd. Nadien had hij – ware het 2017 geweest – met zijn uitdossing als “levend standbeeld” een centje kunnen bijverdienen. Op de Meir. Onder toezicht.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s