Sam Jupiler Belgium

Sam Louwyck is een fijn, fijnbesnaard filmacteur, met een soort oer die gemakkelijk tot – veelal onbeheersbare – uitersten leidt. Wat aan zijn optreden in het babbelprogramma Van Gils en gasten, enige tijd terug op Één, vooraf is gegaan, geregeld onder invloed autorijden, zou daarmee te maken kunnen hebben. Wat er wellicht ook mee te maken kan hebben, is dat hij zich publiekelijk opwindt over een straf die hij voor een delict gekregen heeft. Dat is overigens zijn missing link: rijden onder invloed is een juridisch feit. Ik begrijp helemaal niet wat hem ertoe heeft aangezet zich in een televisieprogramma druk te maken over de strafmaat. Ik begrijp ook niet waarom hij dat dan deed bij die meneer Van Gils, die de uitstraling heeft van een afwassponsje dat al te lang is mee gegaan omdat ze bij de Aktion tijdelijk uit voorraad zijn.
Ondanks de tegenwind die Louwyck kreeg, blijft het mij verbazen hoezeer alcohol de dag van vandaag in ons land nog altijd een sociaal aanvaarde drug is, en dat die acceptatie onaantastbaar is. Mijn eigen gevecht met deze demon heeft heel wat jaren van mijn leven in beslag genomen, en ik ben me er terdege van bewust dat ik er mensen emotioneel mee heb bezeerd, mee heb pijn gedaan. Er is niets heroïsch aan dat gevecht tegen de drankzucht geweest, het was een bittere noodzaak – zoveel zag ik wel in – om, min of meer, fatsoenlijk te overleven en anderen in hun waarde te laten, geen gevaar te vormen. Niemand anders dan ikzelf is er verantwoordelijk voor (geweest), al ben ik wel heel opgelucht dat door de jaren heen de inzichten zijn voortgeschreden: toen ik heel vroeg in de jaren negentienzeventig begon met de strijd, “zat het allemaal alleen maar tussen de oren”, en kon het existentiële manco, met weinig kans op slagen, hooguit gesprekstherapeutisch wat worden gemasseerd. Stilaan is men gaan inzien dat heel wat andere factoren een rol spelen, onder andere genetische.
Liefde, aanvaard worden, ouder worden – het bleek uiteindelijk de enige echt passende sleutel te zijn op de deur van de kamer der verlossing.

Dat je kameraden in de kroeg je aanzetten tot het drinken van de allerlaatste, of omdat je op een onpaar aantal benen niet goed kunt gaan, en smoezen verzinnen kun je zelf ook nog wel, is je eigen verantwoordelijkheid.

Blikje_Hero_2

Niemand dwingt je ertoe over de drempel te stappen.
Dat je eigen overheid echter een stevige duit in het verslavingszakje doet, is daarentegen wél volstrekt onaanvaardbaar. De Vlaamse overheid bijvoorbeeld promoot Vlaamse streekbieren als bierlijk erfgoed, men beijvert dat ze als het ware op de lijst van de Uneso worden opgenomen, beschermd, als een Vlaamse primitief, en ze pakt er fier mee uit in het buitenland. AB InBev aka Stella Artois is een zogenoemd Belgisch kroonjuweel, en terwijl ministers allerhande zwijgen over Sam Louwyck, zich barmhartig tonen jegens een bevriend schepen met alcoholproblemen, en zich op de borst trommelen met een Stroomplan (wie verzint zo’n naam?!) en elke simpele druggebruiker straks het risico loopt zeer repressief te worden aangepakt (de echte grote patsers en gegoede gebruikers vinden hun uitweg wel), staan diezelfde ministers patser de Spoelberch en patser Brito (zijn naam associeer ik met die in schoonmaakproduct gedrenkte metaalwolsponsjes) om de merknaam Jupiler tijdelijk te veranderen in Belgium. België is geen land, geen natie, maar een biermerk. WTF. Tot het er daar in Rusland om zal spannen of de nattedroomjongens van de Rode Duivels hun afschuwelijk hoge vergoedingen (sic!) zullen waarmaken, gaat ons dappere volkje zich wekelijks te buiten aan de spanning van de… Jupiler League, drinken ze voor, tijdens en daarna bakkenvol, en een nuchtere staker, ik moet ‘m nog tegenkomen.
Dank u, overheid, voor zoveel mededogen.

© 2018 Rob Vanderwildt
Illustraties afkomstig van het internet.

Opruiing?

Mag ik je vertellen over iets dat onlangs voorviel, waar ik bij was, waar ik uiteindelijk verbouwereerd over was, en misschien zelfs wel wat van geschrokken ben? Overdrijf ik? Ik weet het zelf niet goed. Het is nu twee weken geleden, om precies te zijn, op 17 januari, dat ik in de Antwerpse Arenbergschouwburg naar de voorstelling ging van Marx. Dit is een monoloog, geschreven door de filosoof Stefaan Van Brabandt, die eerder al een tekst had gemaakt over Socrates. Dat was toen een beklijvende voorstelling. Marx wordt gespeeld door de acteur Johan Heldenbergh. Een herrezen Marx blikt anno nu terug op wat hij heeft voortgebracht en tegenwillens teweeggebracht. Hij is gekleed als een keurige burger. Driedelig. Rookt een e-sigaret. Het was een, althans voor mij, vreemd schouwspel, waarbij acteur en tekst rond elkaar heen draaiden als twee hondjes die graag met elkaar zouden willen spelen, maar om de een of andere reden wat bang waren voor elkaar. Vat kreeg ik er niet op. Vroeg me voortdurend af wat de auteur en de acteur mij diets wilden maken.

Dat Marx bij mij niet pakte, is irrelevant. Ik ben alleen maar ik, toevallig een liefhebber van theater, maar geen kenner; aan theaterkritiek wil ik hier dan ook niet doen. Bovendien was de volle zaal goed mee, kreeg ik de indruk, op wellicht enkele stoeltjes na, waar mogelijk ook iemand zat die het gekwispel op het podium niet doorgrond kreeg. Dus wat zou ik?

Ongeveer een kwartier voor het zo’n zeven kwartier durende spel, keerde Marx/Heldenbergh terug naar de verontwaardiging die hem in de negentiende eeuw getroffen moet hebben en die hem toen aanzette tot het neerpennen van zijn denken in enkele geschriften. Hij trekt die verontwaardiging ook naar het nu, en richt zich rechtstreeks tot het publiek, en geeft het draaien om de oren. De zaal is immers mede schuldig aan het neoliberalisme, roept hij, aan de fameuze 1%-99%, de zaal koopt spullen voor een prijs die alleen maar kan betekenen dat er ergens mensen worden uitgebuit, zoals hier ten onzent rond het jaar 1900. De naam van priester Daens is al eerder gevallen. Heldenbergh/Marx windt zich meer en meer op, zijn stem wordt steeds luider, de klank is opzwepend, het roept in mij beelden op van dictators… Als het einde nabij is – vergeef me de melodramatiek – klinkt het chanson ‘Quand on n’a que l’amour’ (link) van Jacques Brel. Een onbegrijpelijk, bizar contrast met wat eraan vooraf is gegaan. Is het een pleister?

Dan gebeurt datgene waar ik in het begin van dit stukje op doelde: zodra het duidelijk is dat de voorstelling gedaan is, veert het publiek onmiddellijk uit zijn stoelen recht in een daverend, ovationeel applaus, sowieso iets dat in een Vlaamse theaterzaal zelden voorvalt, en ik vraag me af wat mijn medetoeschouwers hiertoe drijft. Wat juicht men toe? De tekst? De acteur? De draai om de oren die zij gekregen hebben? De demagogie van een ontketende Marx? Het kan slechts een open vraag blijven, omdat ik hun beweegredenen niet ken. Maar het boezemt mij wel enige schrik in. Ik heb zojuist Animal Farm van Orwell gelezen, NVA-politici Francken en Jabon worden zelfs bij Waals extreem-links populair, en een weekje na deze voorstelling duikt de voorzitter van de NVA en burgemeester van Antwerpen De Wever op in de pers met suggestieve ‘opinies’ over de apartheid in zijn stad, over de Gutmenschen – de woordkeuze alleen al – en de linksen in het Brusselse Maximiliaanpark die vluchtelingen helpen en daarmee de Belgische sociale zekerheid op het spel zetten, en tovert hij voor de Antwerpse kieslijst uit zijn hoed het witte konijn Darya Safai – een Iraanse, hoogopgeleide vluchteling uit Iran, wonende in de Brusselse rand, die uitgesproken opkomt voor een homogene Vlaamse identiteit met hooguit een exotisch randje. Is ook zij een pleister?

Ik zit een weekje in Drenthe en heb gisteren het doorgangskamp Westerbork (WOII) bezocht en ben weer stil geworden. Ik denk aan mijn kleinzoon van negen, en aan de joodse jongetjes van zijn leeftijd die hier in dit kamp met de trein werden afgezet, van hun vader en moeder werden gescheiden, en niet meer terugkeerden.

Het is een mengelmoes van gedachten – ik geef het toe, dat mij verwart. Misschien is het juist dát wat ons de dag van vandaag onrustig maakt en ons doet teruggrijpen naar een heropflakkering van nationalisme, de vraag naar sterke leiders doet stellen, de behoefte aan toejuiching, de bereidheid ons te laten opruien, om onszelf te beschermen?

Genaturaliseer

4ec2db40-f37d-4709-be30-4b5466e29d6d-539233499.jpg

Onlangs is er op radio en televisie wat gemopperd door een Nederlander die de Belgische nationaliteit verwierf en niet onmiddellijk de fanfare De Breydelzonen of iets dergelijks had verwacht, maar toch een vriendelijk woordje in de trant van weest welgekomen. Peter Vandermeersch, ex-Belg, werkzaam in Nederland als hoofdredacteur van de krant de NRC, deed het omgekeerde en was opgetogen over de hartelijkheid waarmee hij als nieuwe Nederlander door de Nederlandse overheid was verwelkomd.

Na alles bij elkaar geteld zo ongeveer de helft van mijn leven in dit land te hebben doorgebracht, besloot ik in 2011 mijn Nederlandse nationaliteit op te geven en de Belgische aan te nemen. Dat is een louter administratieve handeling, zo bleek. Je gaat naar de dienst bevolking, er worden wat formuliertjes ingevuld, je levert twee pasfoto’s af, en na enkele maanden krijg je bericht. Zo zei de ambtenaar van dienst. Omdat die enkele maanden op een gegeven moment een half jaar waren geworden, en het inmiddels ook al 2012 was, belde ik dezelfde meneer en vroeg hem hoe het met mijn dossier stond. Even zien. “U bent al Belg sedert november 2011.” – “O, nooit iets van gehoord.” – “Ze hebben het nogal druk beneden, maar ik zal u die mevrouw even doorgeven.” – “Dank u.”

De mevrouw is allervriendelijkst. Ze spit in de stapels dossiers op haar bureau en vindt geheel onderaan het mijne. “Ik zal het boven op de stapel leggen,” belooft ze, ik denk dat ze glimlacht, en ze komt haar belofte na. Na enige tijd krijg ik inderdaad bericht dat ik mijn nieuwe identiteitskaart mag komen afhalen. En neen, ik verwachtte ook geen fanfare, ook die van “De Nethezonen” niet, maar er was werkelijk helemaal niets. Geen woordje van de ambtenaar, geen kaartje van de koning [grapje], geen officiële bevestiging enkele dagen later in de brievenbus. Niets. Zelfs geen join the club.

Of dat wel had gemoeten? Misschien niet nee, niet echt, het was immers een louter administratieve handeling, en ik had er na minimaal vijf jaar verblijf simpelweg recht op, hoefde geen inburgeringscursus ofzo te volgen, geen verdienste van mijnentwege dus, maar het had de “overstap”, die je dan toch niet zo vlotjes neemt, waar je lang over nadenkt, maar ook weer niet aan twijfelt, want je houdt van ’t Stad en van België met z’n koterijen – het had het wellicht iets feestelijker gemaakt.

Ik vroeg of ik nu nog iets met de Nederlandse nationaliteit moest doen. “Geen idee,” zei de man of vrouw aan het loket. “Het zal zo wel in orde zijn.”

Goed. Dan zelf een mailtje gestuurd naar het consulaat-generaal der Nederlanden in Antwerpen om te vragen wat me nu te doen stond. Ik kreeg daarop een boze telefoon van een mevrouw dat ik nooit zonder toestemming van Nederland de Belgische nationaliteit had mogen aanvragen! Ik heb op een gegeven moment maar gezegd “prettige dag verder, mevrouw”, en ingelegd.

Nog eens gemaild. Nu een bijzonder omslachtig antwoord per traditionele post van twee kantjes van een hogere in rang kennelijk dan de eerste mevrouw. Ik kreeg er kop noch staart aan. Maar het kwam erop neer dat ik, als ik dat dan per se wilde, wel afstand kon doen van mijn Nederlandse nationaliteit, door het afleggen van een verklaring op het consulaat zelf, en tegen betaling van € 30,00 leges. Dus ook nu géén fanfare.

Dat dan maar gedaan. Ik ben tegen het principe van de dubbele nationaliteit immers. En ik wilde Belg zijn. Weer aansluiten bij de geschiedenis van mijn grootmoeder, die, afkomstig van Duffel, in 1914 met man en kinderen naar Nederland was gevlucht, en daar was blijven hangen. Het was dus gewoon alleen maar aan de loop der geschiedenis te wijten geweest dat ik ooit Nederlander was geworden. Mijn vader is zelfs nog bijna veertig jaar Belg geweest, maar liet zich met de Tweede Wereldoorlog in het vooruitzicht, tot Nederlander naturaliseren, en droeg die nationaliteit vervolgens op zijn vier zonen over.

Maar nu was alles in orde.

Tot ik begin vorig jaar een brief kreeg uit Den Haag, bestemd voor Nederlanders, permanent verblijvend in het buitenland, die zich wilden laten inschrijven als kiezer bij Nederlandse verkiezingen. Ik liet dat bureau weten dat ik al enkele jaren geen Nederlander meer was, er afstand van had gedaan, niet voor een bord linzensoep maar voor dertig euro, hoe dat dan kwam dat ik toch nog ergens in een systeem als Nederlander stond vermeld? Er blijken zo’n twaalf databanken te zijn die persoonsgegevens bevatten, legde men me uit, en die zijn niet aan elkaar gekoppeld, maar als bijvoorbeeld de databank van de sociale zekerheid was geraadpleegd, dan had men het wel geweten, want die is wat dat betreft het meest accuraat. Zij krijgen immers de meeste veranderingen in persoonsgegevens door. Zelf had ik ze er inderdaad over bericht; zij betalen het Nederlandse stuk van mijn pensioen uit. “Wordt zo’n nationaliteitswijziging dan niet doorgegeven door België in dit geval aan Nederland?” Dat wist men niet, nee. Ze konden het ook niet in hún bestand zomaar veranderen. Ik zou dan een brief moeten schrijven naar… ik zei heel snel: “Nee-nee, laat maar.”

De bevoegde dienst van het consulaat-generaal der Nederlanden was inmiddels opgeheven en overgebracht naar de ambassade in Brussel. Zo zei me een medewerker aldaar aan wie ik de vraag stelde hoe de vork aan de steel zat, en hij zei, zwart op wit, dat door mijn aanvaarding van de Belgische nationaliteit ik ambtshalve de Nederlandse nationaliteit sowieso kwijt was. “Ik had dus helemaal geen afstandsverklaring hoeven af te leggen?” – “Nee, inderdaad. Van wat men niet heeft, kan men ook geen afstand doen.” – De logica zelve. – “En die mevrouw in Antwerpen wist dat dan niet en liet me ook nog dertig euro betalen terwijl dat niet nodig was?!” – “Ik kan niet in het verleden gaan zoeken, meneer, wat daar gebeurd is, weet ik niet.”

Kennelijk was er wel een reden geweest om de dienst over te hevelen van Antwerpen naar Brussel: onbekwaamheid. Of gesjoemel met legesgelden.

Dus mopperen op de Belgen dat ze niet een beetje meer decorum aan het Belg-worden besteden, vind ik echt wel terecht, maar de onverschilligheid van de Nederlanders in dit geval kan ook wel tellen.

Bevestiging-naamschrijving

Sinds ik Belg ben schrijf ik mijn familienaam – officieus – weer als vanouds: Vanderwildt, en niet het door mijn vader in 1941 aan de Nederlandse gewoonten aangepaste vorm van der Wildt ofwel Wildt, van der – drie-woorden-dt – , dat aldaar al gauw leidt tot van de Wild, de Wilde, de Wild of kortaf Wild. Een toegeving die ik van mijn vader begrijp, want hij moest aanvankelijk steeds aan de Nederlanders uitleggen dat het dus niet drie-woorden-dt was, maar één-woord-en-hoofdletter-V – maar Belgen springen gelukkig dan weer wat zorgvuldiger en respectvoller met familienamen om. Wij kennen geen “tussenvoegsel”, alsof een familienaam deelbaar zou zijn in stukjes met meer of minder waarde.

En zo is het dus altijd wel wat.

© 2018 Antwerpen

Aantrek hebben

Advertentie jaren 1920

Ooit op een rommelmarkt gekocht, een ingebonden jaargang van een Duits magazine uit de jaren 1920, met advertenties in een typografie die uiteraard eigen was aan die tijd, mede bepaald door wat toen grafisch-technisch mogelijk was; mooie lettertypen toch ook wel, zoals de letter van het woord Radio-Selbstbau, links onderaan. Typografie ligt me, zoals ik eerder al eens blogde.

Maar ook de inhoud van veel advertenties is interessant. Wellicht is het typisch Duits dat er heel wat zijn die over schoonheidsproducten gaan, gezondheidsproducten, behandelingen, hygiëne. Kraft und Gesundheit! Het zijn de jaren 1920, bijzondere jaren tussen twee wereldoorlogen in, met opvallend veel aandacht juist voor dit soort zaken – waarin ook de mode floreerde, kunstbewegingen ontstonden, nieuwe pedagogische methoden (Steiner bijvoorbeeld), muziek en dans veranderden (charleston, jazz), retour naar de natuur (naakt), een vrijere omgang met elkaar en met de dingen. Communes. Roken. Drinken. Experimenteren.

Vrouwen stapten uit hun lange donkere kleren over in korte charlestonrokjes, en staken elegant in een lang sigarettenpijpje, de nodige rookwaar aan. Ze moesten natuurlijk wél een behoorlijke aantrekkingskracht uitoefenen, aantrek hebben, en de advertentie hierboven, van Galenus Chemische Industrie speelt daar met haar product Leciferrin handig op in. Of een dergelijke tekst de dag van vandaag nog zo geschreven zou worden, laten we hopen dat dat sterk betwijfeld moet worden:

De vrouw zal geen aantrekkingskracht kunnen uitoefenen als haar gelaat niet mooi is. Een mooi gelaat heeft alleen die vrouw, wier ogen klaar en vurig zijn, wier teint fris en rozig is, en dit kan alleen het geval zijn als haar bloed zuiver is.

Leciferrin smaakt voortreffelijk en doet niet verdikken, heeft onmiddellijk een gunstige uitwerking op het lichaam; de vrouw oogt weer gezond én jonger, de teint van haar gelaat wordt rozig, haar ogen zullen helder staan.

En dat voor slechts 1 Mark 75, of 3 Mark voor een grote fles, verkrijgbaar bij apotheek en drogist. Zelfs in Hongarije, getuige de advertentie hiernaast/hieronder.

f7143_1

Afgezien van het inhoudelijke, is het best een mooie advertentie. Die bovenaan. Een fijne tekening van een vrouw met aantrekkingskracht, wervelend boven een veelbelovende kop: Anmut einer Frau, welke aantrekkingskracht gerealiseerd zal kunnen worden met het product Leciferrin.

Voor alle zekerheid eens gegoogeld op dat leciferrin, en vond inderdaad enkele treffers; onder andere dat het lecithine-ijzer bevat. Verder bleek dat het product van dat chemische fabriekje in Frankfurt am Main ook aangeprezen werd als kalmeermiddel. Zenuwversterkend.

Dat heeft de man wel hard nodig natuurlijk… als eine Frau Anmut hat…

De chemische fabriek Galenus had al vroeg in de twintigste eeuw begrepen wat marketing is. Bij hun producten konden de mensen “postzegels” sparen, en, zeer toepasselijk, waren er voor Leciferrin enkele échte mannen afgebeeld. Je ziet hier de koningen van Bulgarije, Griekenland, Spanje, Roemenië, Pruisen, Italië, de sultan van Turkije, en de prins-regent van Beieren. Kennelijk hadden zelfs ook zij wat zenuwversterkends nodig?

© 2018 Rob Vanderwildt

Seinvoorbijrijding

Gedurende enkele jaren heb ik, puur om den brode, als freelancer of zzp’er, gecorrigeerd. Voor uitgeverijen van boeken. Zetproeven en manuscripten nagelezen op fouten allerhande. Het ging in mijn toko, onder het niet-geïsoleerde dak, in de zomer liep de temperatuur op tot veertig graden, om lectuur, thrillers en ander spul en ook af en toe een schoolboek. Die schoolboeken, dat was nogal eens huilen met de pet op, ik kreeg echt te doen met de leerlingen die daaruit iets moesten leren. Uit een manuscript van een boek over boekhouden, haalde ik zelfs fouten uit optellingen. Zesde zintuig. Veel vertalingen (Amerikaanse thrillers), er waren steengoeie vertalers bij aan wie je amper werk had en bij wie je tegelijkertijd kon genieten van hun vertaalkunst, en vertalers die echt een ander vak hadden moeten leren, als ze dat al hadden gekund, en aan wie je dus véél werk had en nog minder verdiende. Correctoren worden immers per duizend lettertekens betaald, ongeacht de moeilijkheidsgraad van het werk. Uitgevers geven boeken uit, geen geld. Dat houden ze op zak. Op den duur was ik dat “verbeteren” spuugzat, en ben ik ermee gestopt. De spellingswijziging van begin jaren 2000 was de druppel.

Met collega’s hadden we wel een mailgroepje gemaakt – best bijzonder al in de jaren 1990 – waarin we een (taal-) probleempje of een ander vraagstukje aan elkaar konden voorleggen als we er zelf geen oplossing voor hadden. En op vrijdag in de namiddag was er een virtuele happy hour, waar we wat stoom konden aflaten. Want vele uren per dag boeken zitten lezen tegen weinig-betaald (niveau lageloonland) en met soms-ergernis, kroop niet in de koude kleren. (Wél in je rug, zoals ik inmiddels maar al te goed weet.)

Een van de zaken die nogal eens ter sprake kwam in de groep, was de aaneenschrijftdrift of aaneenschrijfdrang die in het Nederlands alom aanwezig is. Niet zo extreem als in de Duitse taal gelukkig, maar toch veel sterker dan in het Engels, waar veel en veel minder aaneenschrijvingen van woorden voorkomen. Niemand heeft er ooit een verklaring voor gegeven, alleen toegegeven dat het fenomeen er is, en onvermijdelijk dus eigen aan het Nederlands. We hebben het liever over een hartbewakingsafdeling dan over een afdeling hartbewaking. Er zijn natuurlijk ook zeer goede redenen aan te voeren voor het aaneenschrijven van woorden; denk aan het klassieke verschil tussen het oudemannenhuis en het oude mannenhuis. In het eerste huis zijn het mannen die op instorten staan, in het tweede is het het huis zelf. Of Grotebeerstraat vs. Grote Beerstraat. Maar soms liep/loopt het wat de spuigaten uit.

Zo zag ik in De Standaard van vrijdag 5 januari van dit pas begonnen jaar een klein artikeltje staan onder de kop “Seinvoorbijrijdingen”. Ik schoot in de lach, en ik dacht meteen aan ons clubje van vijfentwintig jaar geleden en vroeg me af, als ik er nog contact mee zou hebben, en als het nog zou bestaan, of ik dit fantastische woord, dit fantasiewoord, even zou melden: Seinvoorbijrijdingen. Oooit al tegengekomen, mannen?

Het woord stond als bovenkopje bij het bericht, de kop zelf was: “Minder treinen rijden door rood”, nu ja, het is maar wat je “minder” noemt. In 2017 reden er maar liefst 55 treinen door het rode sein, het jaar daarvoor waren het er 91. Inderdaad, dat is een forse daling. Zo’n veertig procent. Knappe prestatie. Maar vijfenvijftig keer een rood sein negeren, is dat dan niet héél érg? Volgens Infrabel, de netbeheerder, niet echt, want er was maar in een kleine twintig gevallen sprake van “een effectief gevaarlijke situatie”. – “Bemoedigend,” zegt woordvoerder Frédéric Petit. De belangrijkste oorzaken van seinvoorbijrijdingen zijn menselijk van aard: niet goed opletten, situatie verkeerd inschatten. “Ontmoedigend,” zeg ik tegen mezelf, maar een mooi nieuwsamengesteld woord, dat in de Van Dale zal komen, is het wél:

Seinvoorbijrijdingen.

Met dank aan Infrabel.

© 2018 Rob Vanderwildt

Wachtruimte

Donderdag 28 december 2017, rond halftien rijd ik de parkeergarage in van het Sint-Augustinusziekenhuis aan de Oosterveldlaan in Antwerpen Wilrijk. Min-1. Het parkeren gaat gezwind. Achteruit ingedraaid. Met de lift naar boven. Het is een stomme lift. Er bestaan liften die praten. “Naar boven.” – “Tweede verdiep.” Er zijn pratende liften in Vlaanderen uit Nederland ingevoerd. Zij praten “Hollands”: “BeGane Grond” – keelharde G – waar wij zeggen: “Gelijkvloers”. Zou de liftenfabrikant bij een levering aan Frankrijk bijvoorbeeld, ook de taal, de uitspraak, niet aanpassen? Hopelijk laten ze in geen geval een Hollandse dame “rez-de-chaussée” zeggen…

Bij de aanmeldzuil in de hal steek ik mijn identiteitskaart in de gleuf. Na akkoord te zijn gegaan met de informatie op twee achtereenvolgende schermpjes, schuiven er twee velletjes zelfklevers met mijn administratieve gegevens uit de zuil, plus een briefje waarop staat hoe ik bij Neurochirurgie kom. Kan nooit kwaad, al ben ik hier meermaals geweest. Twee operaties aan de rug in het lumbale gedeelte.

In de wachtkamer is het kalm. Zes mensen zitten er. Een mevrouw alleen, een echtpaar, en een groepje van drie, hun onderlinge relatie een vraagteken, een van hen zit in een rolstoel en spreekt Frans en gebrekkig Nederlands. Goedemorgen zeggen kan, maar veelal wordt in Vlaamse wachtkamers een dergelijke groet niet beantwoord, hooguit met zichtbare tegenzin. Hier niet binnenkomen met “goedesmorgens”. Ge zijt gewaarschuwd.

Op het vroege tijdstip zijn de afspraken nog niet uitgelopen. Om kwart over tien zitten mijn vrouw en ik in ’s dokters spreekkamer. De reeds gemaakte mri geeft geen fraaie indruk van de toestand waarin mijn tussenwervelschijven verkeren. De neurochirurg is het daarmee eens, kijkt er niet van op dat ik ferme pijnklachten heb. Een derde keer opereren zou kunnen, zegt hij, er meteen de vraag aan toevoegend: “Maar waar eindigt het dan?” Een vierde? Een vijfde?

En de neuropatische pijn in uw benen raakt er niet door opgelost, want dat is een op zich staand, apart probleem. Dus toch. Eindelijk, na twintig jaar onderzoek en verbanden en dwarsverbanden zoeken en een gans gamma farmaproducten innemen, eindelijk iemand die iedereen tegenspreekt. “Het zijn twee verschillende aandoeningen.” Dank u, dokter. Hij heeft gelijk.

Waar eindigt het ingrijpen, waar eindigt je leven?

De vraag stellen is ze ditmaal niet beantwoorden, want een antwoord bestaat niet op deze vraag. Er komt een moment waarop men gewoon zegt: “Hij sterft”, zoals Lear het zegt in Shakespeare’s King Lear.

b03f9527-4804-4cd3-8c72-bb4f66f64d3e-1295647801.jpg

De vraag van de dokter brengt me niet van streek. Ik ben nog maar zeventig maar toch al zeventig. Mijn levenswijze heeft ernstige kwetsuren veroorzaakt aan de longen en waarschijnlijk aan de benen, en de jaren aan de rug. Het maakt dat je over je levenseinde wat vaker nadenkt dan wanneer je op mijn leeftijd nog de tocht naar Compostella zou kunnen ondernemen, met een geel fluohesje van Okra aan, bijvoorbeeld, of zou kunnen ravotten met de kleinkinderen.

Tien, vijftien jaar, zegt de neurochirurg, vijf zegt de pneumoloog. Het maakt geen verschil, hooguit cijfermatig. Vandaag geloof ik de longarts, morgen de chirurg. Hangt af van de intensiteit van de pijn. Pijn drukt een stempel op mijn humeur en levenszin. Er zijn dagen dat ik daar zelf erg moe van word. Ook helemaal geen zin meer heb in mezelf. Wat moet dat dan wel niet voor mijn naasten zijn? Zoon zegt: “Je bent niet de enige van zeventig die al eens wat hulp nodig heeft”, als hij me, op vakantie met hem in de Moezelstreek, mij, op de fiets, een te optimistisch ingeschatte helling op duwt.

Is dit oud worden? Dat “zin” tergend langzaam uit je lichaam en je geest verdwijnt, zonder overigens dat “zinloos” de bovenhand krijgt? Tegenstrijdig is het. Je bent blij met de rugzak die je al die jaren steeds maar meer hebt gevuld, minder blij dat je tegelijkertijd vaker even moet gaan zitten om te bekomen van het sjouwen van dat zware ding. Dan is het net als in de wachtruimte waar je staat na het onderhoud met de dokter.

“We kunnen het doen, maar waar eindigt het?”

“Goedemorgen.”

Tussen(de)ruimte

Van letters heb ik altijd gehouden, al was ik me daar in vroeger jaren niet van bewust.

Op de lagere school in Haarlem – in een andere stad zou het wellicht niet anders zijn geweest, maar in de stad van Laurens Jansz. Coster (!) ben ik nu eenmaal opgegroeid – kon ik goed voorlezen, en vaak mocht ik dat ook. De juf van de tweede klas heette juffrouw Campfens en zij woonde op de Rijksstraatweg. Bij toerbeurt droegen we haar zware boekentas voor haar naar haar huis.

Ik zag letters denk ik nooit als op zich staande tekens, maar telkens als kleine verzamelingetjes tekens, letterlijk lettergrépen, aa-p, die woorden vormen. Uit mijn rechterooghoek zag ik ze al aankomen; daarom kon ik ook snél lezen.

De chocoladeletter die wij met het Hollandse sinterklaasfeest kregen, vond ik het jaarlijkse hoogtepunt in mijn ontluikende letterliefde; nochtans overleefde hij, de letter zelve, de blijdschap niet heel lang, wat te wijten was aan mijn snoep- of suikerzucht, en aan mijn, sinds een zware geelzucht of hepatitis A op vijfjarige leeftijd, haat-liefdeverhouding met chocolade…

Mijn eigen handschrift zelf was overigens abominabel. Een autistische leraar op de middelbare school trok daar ook punten voor af. Idioot. Slechtste leraar van de school. En ooit. Gemankeerde, gerateerde artist, boezemvriend van Godfried Bomans.

In de jaren 1960 ging ik, wat dolend, ik was negentien, en zonder zicht op de einder, in Antwerpen werken in een drukkerijtje: Imprimeriepapeterie Guiette aan de Minderbroedersrui. Ze verkochten er papierwaren en drukten visitekaartjes en briefpapier en rouwbrieven en ander familie- en handelsdrukwerk. Ook nog in het Frans.

Behalve Gérard, de patron, werkten er mevrouw Hillen als gestrenge winkeljuffrouw van Duitse komaf; Willy S., een onstuimige, bebaarde, hippieachtige drukker, die er niet altijd was omdat hij een lief had in het honderddertig kilometer verderwegge Leiden. Daar ben ik hem veel later nog eens tegengekomen. Hij heette toen op z’n Nederlands Wim in plaats van op z’n Vlaams Willy. Het was zijn verzet. Van Vlaanderen moest hij niets meer weten.

Ik zou de letterzetter van het kwartet worden, maar kende er niets van. Gérard heeft het me op een paar dagen tijd geleerd en ik vond het een fijn vak. De zethaak in de linkerhand en op den duur blindelings grijpend naar de loden staafjes in de letterbakken, die als laden in de zetbok geschoven werden. Een zesde zintuig voor zetfouten was mijn geluk. Ik was een goeie zetter geworden.

Er kwam een andere drukker; de Willy bleef wat al te vaak bij zijn lief in Leiden overnachten. Aloïs was de geknipte man voor dit drukkerijtje, want wat drukwerk betreft, kon hij werkelijk alles. Op de Heidelberger degel (!) drukten we vierkleurendruk op papier dat qua formaat buiten de machine uitstak, en dan dus nog een keer erdoor, voor het bedrukken van het aanvankelijk uitstekende gedeelte. En dan nog de andere zijde. Rekto-verso. Zestien keer door de machine. Of etiketjes van drie bij zes centimeter die al op dat formaat gesneden waren maar waarop toch nog een codenummer moest. Heroïsch. Nam ik de bediening van de afgestelde drukpers over en gingen we nachtjes door. Dagenlang met alleen blauwe inkt drukken betekende dagenlang blauwsnuiten.

Nachtjes doorgedaan. Ook in de kroeg.

Vóór die tijd overigens had ik geregeld mijn oudste broer Frans geholpen, die al eerder dan ik naar Antwerpen was verkast, en in zijn kelder wat aanrommelde met zeefdruk, een in de jaren negentigzestig fel opkomende, want op zich niet zo moeilijke en weinig investering eisende druktechniek.

Tekstvormen maakte je met afwrijfletters van Mecanorma of Letraset. Lettertje voor lettertje. Doorgaans grote letters, vaak ook kapitalen, hoofdletters, relatief weinig tekst. Zeefdruk was voor affiches, posters. Het was vaak vloeken, omdat dat afwrijven niet altijd van een leien dakje liep, maar je leerde wel verdraaid goed spatiëren, de ruimte tussen letters in balans brengen, want dat is geen geometrie, aan een meetlat heb je niks. Op het oog. Intuïtie.

Bekijk de lettercombinatie HIIJ op de foto, en je ziet meteen dat er bij dit lettertype te veel wit zit tussen de I en de J (onder de hand), zeker in vergelijking met de HHII-combinatie er vlak voor. Daar valt best een mouw aan te passen. Je geeft wat meer spatie, ‘wit’, tussen de H en de I, in verhouding tot de tussenruimte die er vanzelf al is tussen de I en de J. Met loden letters gebruikten we ‘spaties’, dunne loden of metalen staafjes ter diepte van de letter. Was zelfs een halve spatie teveel, dan haalden we onze sigarettenblaadjes tevoorschijn, scheurden er een reepje af en deden dat tussen de letters. Zo gebeurt dat de dag van vandaag niet meer. Nu ‘kernen’ we op de computer, zowel plus… als min!

Of een woord of een rijtje woorden in kapitalen goed gespatieerd is, ik let er altijd speciaal op. Afwijking. Deformatie.

Zeker bij lettertypen van de jaren negentiendertig is spatiëring medebepalend voor het woordbeeld. Zo schrok ik me een hoed, toen ik in het aan de Franse Baie de Somme gelegen plaatsje St Valery op het toeristisch stationnetje dit schoolvoorbeeld van hoe het dus niet moet, zag staan. Merde:

Wat had ik graag mijn afspatiëringsdriften gebotvierd…

Een fijne (fiets-) vakantie was het overigens wél.