Podcast

hoes-zw

Het duurt langer dan ik had verwacht vooraleer ik het podcasten een heel klein beetje onder de knie heb. Nog wat geduld alstublieft.

De naam wordt in elk geval Vanderwildt Vertelt, en het zogenoemde “artwork” heb ik al wél klaar. Wat vindt u ervan?

Becketts Zwei Männer

friedrich-two-men-contemplating-the-moon-pxlr-zww

In het eerste decennium van deze eeuw fuseerden op last van de overheid, en onder veel protest, de twee befaamde Antwerpse theateropleidingen Studio Herman Teirlinck en Toneelklas Dora Van der Groen. Het gebouw in de Maarschalk Gérardstraat waar de Studio altijd gehuisvest was geweest, kwam leeg te staan, de provincie Antwerpen kocht het aan, en gaf het in erfpacht aan de organisatie Villanella. Villanella is van oudsher een ‘kunsthuis voor kinderen en jongeren’, gespecialiseerd in de productie en presentatie van hedendaagse kunsten. Ze doen echter meer dan dat. Ze bieden deze maand oktober (2016) de schrijver Tom Lanoye onderdak voor zijn Lees Labo Lanoye in De Studio. Op vier maandagavonden lezen acteurs en actrices toneelstukken uit het absurdistische repertoire. Het geheel gestoffeerd met wat toelichting door dramaturg Gommer Van Rousselt, eventueel wat gedachtenwisseling, en achtergrondinfo op een Facebookpagina.

De eerste avond – 3 oktober –  kwamen we niet verder dan het eerste bedrijf van Samuel Becketts Wachten op Godot, in de nog altijd obligate vertaling van Jacoba van Velde, een autorisatie die na zestig jaar best mag sneuvelen. Dat we niet verder kwamen dan dat eerste bedrijf was geen punt; de belangstelling was erg overweldigend, er moest worden uitgeweken naar een grotere zaal, en dat was in feite op zich al een heugelijk feit.

Als groot liefhebber van Beckett werd ik verrast door de projectie van een schilderij dat, zo vertelde Van Rousselt, bleek te zijn van de hand van de Duitse romantische schilder Caspar David Friedrich (1774-1840), die het Zwei Männer in Betrachtung des Mondes noemde. Zie bovenaan. Beckett zag dit schilderij in de jaren 1936-1937 in Dresden, toen hij, beginnend in Hamburg, door Duitsland trok. Hij zou door dit schilderij zijn “aangezet” tot de idee van Wachten op Godot.

Nu zijn er wel meer anekdotes rond dit dramatische meesterwerk uit de twintigste eeuw – zoals de herkomst van de naam Godot; daarover straks nog even – , dus dacht ik er min of meer het mijne van, in de trant van “het zal wel”. Maar de volgende dag, al googelend, vond ik heel wat bewijskracht voor wat er over de relatie tussen Becketts theatertekst en Friedrichs schilderij was gezegd. Ik voelde enig schaamrood opkomen omdat ik dit niet wist, maar het was erg troostvol dat een zeer bekende Vlaamse regisseur, op leeftijd, die Wachten op Godot nota bene minstens tweemaal heeft geregisseerd, de avond tevoren ook verrast was door dit beeld en door deze verwijzing. Hij kende het niet, zei hij me. Ook aan de regisseur onder wie ik zelf in de jaren zeventig de rol van Estragon heb gespeeld, was dit klaarblijkelijk voorbijgegaan. Een goeie dramaturg is dus wel degelijk van belang, heren, zoals mij vaker is gebleken! Ik zocht dus wél wat verder, en vond in een aantal boeken over Beckett en over zijn Wachten op Godot (boeken waarvan ik op het internet alleen de toepasselijke passages heb gelezen) dat Beckett ook aan zijn geautoriseerde biograaf James Knowlson verteld heeft dat Friedrichs schilderij wel degelijk een inspiratiebron voor hem is geweest.

Kenners verwijzen dan, haast exegetisch, met name naar het einde van zowel het eerste als het tweede bedrijf. De jongen die namens meneer Godot is komen zeggen dat meneer Godot vandaag niet komt maar zeker morgen, is verdwenen – het moment voor de epiloog is aangebroken:

(Het licht wordt plotseling zwakker. Ineens is het donker. Op de achtergrond komt de maan op, stijgt steeds hoger, blijft staan, overstroomt het toneel met een zilverachtig licht.)

VLADIMIR: Eindelijk!

(Estragon staat op en gaat naar Vladimir, zijn schoenen in de hand. Hij zet ze dicht bij het voetlicht neer, richt zich op, kijkt naar de maan.)

VLADIMIR: Wat doe je?

ESTRAGON: Hetzelfde als jij, ik kijk naar het mannetje.


“Ik kijk naar het mannetje” is een toch wel erg zouteloze, flauwe, ongeïnspireerde, en naar mijn idee ook geen adequate vertaling van Jacoba van Velde van Becketts oorspronkelijke claus (Wachten op Godot is eerst in het Frans geschreven):

VLADIMIR: Enfin !

(Estragon se lève et va vers Vladimir, ses deux chaussures à la main. Il les dépose près de la rampe, se redresse et regarde la lune.)

VLADIMIR: Qu’est-ce que tu fais ?

ESTRAGON: Je fais comme toi, je regarde la blafarde.

Nu, ik ben geen kenner van de Franse taal, maar het woord “blafard” blijkt nogal wat bijzonder interessante connotaties te hebben, die Van Velde kennelijk totaal onbekend waren, of die ze ook niet heeft vermoed, want anders had ze het er wellicht met Beckett over gehad; ze waren immers goed bevriend met elkaar. Alle connotaties hebben iets te maken met bleekheid, maar het gaat vaak verder dan dat. Er is bijvoorbeeld een connotatie met het witte gelaat van de witte clown, een zekere tristesse dus. Beckett ziet in de bleekheid van de maan dus wel degelijk iets meer dan “het mannetje in de maan” (telkens als ik dit schrijf, wordt Van Veldes vertaling zoutelozer, infantiel, belachelijk bijna). Misschien zou Van Velde, als ze een tijdje in Antwerpen had gewoond, “Je regarde la blafarde” vertaald hebben met:

“Ik sta naar die bleke te kijken”.

Als Beckett twee jaar later zijn inmiddels al wereldberoemde theatertekst eigenhandig vertaalt in het Engels, doet hij er in deze passage nog een schepje bovenop, door Estragon enkele regels uit een gedicht van Percy Bysshe Shelley (1792–1822) te laten verhaspelen:

VLADIMIR: At last !

(Estragon gets up and goes towards Vladimir, a boot in each hand. He puts them down at the edge of stage, straightens and contemplates the moon.)

VLADIMIR: What are you doing?

ESTRAGON: Pale for weariness.

VLADIMIR: Eh?

ESTRAGON: Of climbing heaven and gazing on the likes of us.

Is het niet schitterend?! “Pale for weariness of climbing heaven and gazing on the likes of us”. Het is Wachten op Godot in één enkele zin. Een van de auteurs die ik tegenkwam, suggereert zelfs dat dit de ware epiloog is van het stuk.

Estragon, die van zichzelf zegt dat hij ooit dichter is geweest (“want kijk maar eens goed naar me”), kent het oorspronkelijke gedicht van Shelley, en zet de eerste regels helemaal naar zijn hand. De volledige tekst geef ik graag in zijn geheel hier mee, en zie met name dus het tweede vers (maar het eerste mag er ook zijn):

609. To The Moon

I
AND, like a dying lady lean and pale,
Who totters forth, wrapp’d in a gauzy veil,
Out of her chamber, led by the insane
And feeble wanderings of her fading brain,
The mood arose up in the murky east,
A white and shapeless mass.

II
Art thou pale for weariness
Of climbing heaven and gazing on the earth,
Wandering companionless
Among the stars that have a different birth,
And ever changing, like a joyless eye
That finds no object worth its constancy?

 

En zo bracht het allereerste Lees Labo Lanoye in De Studio voor mij meteen een heerlijke verrassing, die mijn liefde voor Samuel Beckett en zijn theatertekst weer fel deed oplaaien. Waarvoor dank.

Het schilderij van Caspar David Friedrich heb ik in zwart-wit gezet, omdat dit kenmerkende “kleuren” zijn van Beckett. Diens inspiratie kan overigens ook gezocht worden bij de schilder Jack Butler Yeats (1871-1957) over wie Beckett nog een verhandeling heeft geschreven. Misschien zijn dat hieronder Vladimir en Estragon?

Beckett was overigens een groot kenner van de schilderkunst, en vond daarin vaak aanknopingspunten, ook voor zijn ensceneringen.

twee-figuren

Ik ben u nog de anekdote verschuldigd die enig licht zou werpen op de herkomst van de naam Godot: Beckett zou ooit eens tijdens een wandeling door Parijs gestuit zijn op een kleine menigte mensen die zo te zien aan het wachten waren. Waar wacht u op? vroeg Beckett. Op Godot, was het antwoord. Deze Godot (een vrij gewone naam in Frankrijk), of Godeau(x), bleek een bekend wielrenner te zijn, die op dat moment kennelijk op kop lag in een etappe van de Tour de France. Ik kan me voorstellen dat Beckett dit met pretoogjes heeft aanhoord. Maar zelf geeft hij een heel andere uitleg: alhier.

Auteurs van wie ik toepasselijke fragmenten uit hun boeken tegenkwam: Harold Bloom, Lawrence Graver, William Hutchings, James Knowlson, Paul Lawley.

Dankuwel

gad001000542

Tijdens mijn, in 1993 begonnen, zoektocht naar mijn grootvader die twéé grootvaders zou blijken te zijn, heb ik heel wat hulp mogen krijgen van heel wat mensen. Graag vernoem ik hen hierna, in de wetenschap dat ik er enkelen niet kan vermelden omdat ik hun gegevens niet meer terugvind. Dat is spijtig natuurlijk. Er is helaas niets aan te doen. Sommigen konden niets voor mij doen, omdat er al eens een archief in de vlammen was opgegaan bijvoorbeeld (Vaders pensionaat in Reusel), of dat informatie soms te privacy gevoelig was, óf dat die ene fameuze Vanderwildt helemaal nergens in voorkwam… Typisch… Maar dus mijn grote dank in elk geval aan:

Andries Pool, Provinciaal Fotomuseum, Antwerpen

C.P. Sandbrink, Regionaal Archief, Alkmaar, vluchtelingenopvang 1914-1918

Corinne Staal, Stadsarchief Amsterdam

Dienst Bevolking, gemeente Schoten

Eric Heijsselaar, Stadsarchief Amsterdam. Heeft zich echt suf gezocht naar sporen in Amsterdam van Joannes Baptista Vanderwildt, maar moest tot zijn spijt vaststellen dat die er niet waren; niet leuk voor een overtuigd archivaris

F. van Anrooij, Algemeen Rijksarchief, Den Haag, bezorgde mij heel wat zij-informatie over de naturalisatie van mijn vader

G.G.A.M. Otten, Breda, Archief en Erfgoed

Geert Janssens, Borgerhout, een verre verre neef, een ware genealoog, die mij de onschatbaar waardevolle stamboom van de Cleerbauts wist te bezorgen

Gerda Houweling, Noord-Hollands Archief, Haarlem, die in de dossiers van mijn Oom Karel onder andere de verklaring terugvond van een schepen van Borgerhout aangaande de spoorloosheid van zijn vader Joannes Baptista Vanderwildt

Harmen Snel, Stadsarchief Amsterdam. Ontdekte dankzij een verlicht ingeving in 2014 eindelijk de tot dan toe ontbrekende link tussen mijn grootmoeder en Frederik van Swoll, wat een radicale omwenteling betekende in de zoektocht

Hilde Van Bulck, Stadsarchief Mechelen. Verraste me met een notariële verklaring waarin de ouders van Joannes Baptista Vanderwildt toestemming gaven voor het huwelijk van hun zoon met mijn grootmoeder

Ingrid Ferwerda, Amsterdamse, nu Purmerendse genealogisch deskundige die de lijn van de vrouw van Oom Frans in haar stamboom had

J.H.M. Lemmens, Gemeente Reusel

Jef Van Loon, Borgerhout, die de omzwervingen van mijn grootmoeder aldaar van adressen voorzag, met data en al, wat gezien het grote aantal adressen waar Maria Theresia zich heeft opgehouden, een reusachtig werk moet zijn geweest

Jenny Vanderwildt, Schoten, achterkleinkind van mijn grootmoeder en Joannes Baptista Vanderwildt, kleindochter van mijn Oom Frans

M. Paulissen, Centrum voor Historische Documentatie, Belgische Krijgsmacht, stuurde mij verrassende informatie over de dienstplicht van mijn vader in 1937 en de manier waarop hij daar onderuit is kunnen komen

N.N., Haarlem, vluchtelingenopvang 1914-1918, bezorgde mij lijsten met vluchtelingen waarin ik mijn Oom Frans en zijn gezin terugvond en de adressen waar zij waren ondergebracht

N.N., Nunspeet, in verband met tijdelijk verblijf van Oom Frans in kamp voor Belgische “deserteurs”, helaas zonder resultaat

René Trommelen, Unilever, Rotterdam. Heeft gezocht en gezocht naar sporen in de boter van oudoom Adriaan Hoenson

Ria Moens, Gemeentearchief Duffel

Roel Haesen, Gemeentearchief Zemst

Foto bovenaan (Beeldbank Mechelen): Grootmoeder Maria Theresia Cleerbaut woonde in de Duffelse Hoogstraat op de rechteroever van de Nethe en werkte in een herberg op de linkeroever. Hier was ook het station op de lijn Mechelen-Antwerpen – de eerste spoorverbinding in België, zoals die tussen Amsterdam en Haarlem de eerste in Nederland was – vanwaar zij naar Antwerpen zou vertrekken. Wijde wereld vol wolfijzers en schietgeweren. Vóór er een brug was, onderhield de herbergier een veerdienst. Maria Theresia kon over de brug.

Familie2551px 123 107 45

Tekst ©2016 Rob Vanderwildt – Achtergrond logo ©www.myfreetextures.com

Weerzien | Verlangen

ik-aan-zee-grote-pet-2parnassia-2016-2

De vorige week, zomaar een week in de maand september, kwam het er, vrij onverwacht, dan toch een keer van, al was het niet uit enig obsessief verlangen, want ik heb er lange tijd echt aan willen ontsnappen – we wilden echter doodgewoon een weekje weg, de zee, de kust, dat wilden we alletwee, de richting lag vast, alleen nog niet exact, tot ik inenen dacht aan de prachtige brede en ongerepte duinen vlak bij de stad waar ik ben opgegroeid, Haarlem, dat alles gelegen in de gemeente Bloemendaal, een van die buitenplaatsjes waar de veelal nog bekakt pratende chiqué van Nederland huist. Je herkent ze zo. Maar het ging me niet om hen, maar om die Kennemerduinen, om Duin en Kruidberg, het Bloemendaalse Bos van Martine Bijl, het pannenkoekenhuisje, het Sterrenbos waar we zakken vol beukennoootjes raapten en daar ’s avonds thuis op het frutstenen aanrecht een soort van harde nougat mee maakten (een hoop gesmolten suiker erbij) – en als vanzelf, en dat hadden we opgespaard tot de laatste dag (het viel nog bijna in het water door een platte band die niet meer geplakt maar vervangen moest worden, wat nog lukte), het Parnassiastrand, waar ik zo vaak ben geweest, heelder dagen genoten heb van zand en water, méér heb je dan ook nog niet nodig, en daar zijn we naartoe gegaan.

Het was een fijn weerzien met de vele plekjes uit mijn kinderjaren en mijn jeugd. Die ene foto, die ruim zestig jaar geleden door mijn vader gemaakt moet zijn, en die in mijn vorige bijdrage prijkte, hebben we min of meer, op zo ongeveer dezelfde plek, nog eens opnieuw genomen. Goh. Wat zoekt een man in miniscuul gekabbel van golfjes van een zee?

We hebben gefietst, en gefietst, en gefietst, zelfs door het smalle paadje waar ik als kleuter aan de hand van mijn lieve Opa gewandeld heb, en dan telkens zogezegd viel als ik aan het eind van het laantje het ijscokarretje zag staan, want dat ik getroost zou worden met een ijsje van tien Hollandse centen, een dubbeltje, een duppie, door een perfect meespelende grootvader, dat wist ik natuurlijk wel. Verder door gereden naar het “Kopje van Bloemendaal”, waar we, als het goed gesneeuwd had, met de slee naartoe gingen, vanaf huis toch vier kilometer, en dan vanaf bovenaan helemaal, naar beneden roetsjten, gelukkig dat Moeder nooit geweten heeft aan welke gevaren we ons blootstelden. Het ging echt hard, keihard, en de bochten zouden op Zolder niet misstaan, maar we gingen ervoor. Jaren later reed ik in dezelfde omgeving met fietstassen vol boeken die de rijke mensen van Bloemendaal en Overveen bij de boekwinkel van Willa Reinke in de Gierstraat 64 in Haarlem besteld hadden, meteen een aantal tegelijk, en die moesten aan huis geleverd worden, de Heren kwamen daar niet hun huis voor uit. Stel je voor. Zakcentje bijverdienen tijdens de middelbareschooljaren, maar wel verdomd zwaar fietswerk, want het was (de voorvaderen van) deze Heren nog gelukt in het duingebied hun villa’s te bouwen, dus ging het duin op, duin af, door weer en wind, en sneeuw, en kou, en regen, en weinig vriendelijks aan de deur. Erg weinig. “Je zult wel veel fooien ontvangen hebben.” – “Vergeet het. Nul komma nul.”

Het was plezierig om juist hier weer eens te zijn, onder de indruk van de prachtige natuur, die ook zo op z’n Hollands wordt beheerd; toch heeft geen heimwee zich van mij meester gemaakt, en dat stemt gerust, je hoort en leest wel dat hoe ouder je wordt, hoe meer je terugverlangt naar de plek waar je vandaan gekomen bent, maar dankzij die half-Antwerpse vader van me, en aan hem voorafgaand die honderd procent Belgische grootmoeder, is mijn plek Antwerpen, en na een weekje in de Noord-Hollandse duinen daar, verlangde ik terug naar de Koekenstad, waarop ik mijn afkomst projecteer, waar ik door de straten heb gedwaald, amoureus mijn ziel…

Zwijgrecht

grootmoe-71-zww-2

Het moet mijn laatste verhaaltje worden over fragmenten uit mijn familiegeschiedenis, waarin, zoals je n.l.hebt kunnen lezen, zwijgen vaak voorkomt. Net vandaag – dinsdag 13 september 2016 – lees ik in De Standaard een bespreking door Jeroen Struys van Roberto Andò’s film Le confessioniDe biecht. De kop boven zijn stukje luidt “De vrijheid om te zwijgen”, en tegen het eind vat hij samen wat volgens hem de boodschap van de film is: “dat zwijgen nog de luidste uiting van woede is”. Het treft me, nu ik al enkele dagen zoekend ben naar een manier om mijn reeks verhaaltjes af te ronden, me genoodzaakt gevoel er een eigen perspectief aan te hechten. Wat ik in de krant lees, wordt ineens een interessante denkoefening, sluit goed aan bij wat ik, sinds ik in de jaren negentiennegentig begon met stamboomonderzoek, aan inzicht heb gekregen. Wat is er verzwegen? Wie heeft er gezwegen? Ís er wel gezwegen? Is er wél gezwegen tegen de een, en níet tegen de ander, die op zijn of haar beurt dan weer gezwegen heeft? Héb je de vrijheid om te zwijgen? Wie is er zo ontzettend woedend geweest, dat hij of zij dat enkel maar kon uiten, uitschreeuwen, door te zwijgen? En zelfs de geschiedenis te deconstrueren door destructie van foto’s van… Van wie? Welke dienst heb je daar jezelf en anderen dan mee bewezen? Héb je wel de vrijheid om anderen – zeker nu het in deze verhaaltjes over afkomst gaat – zo in het ongewisse te laten dat zij hun identiteit, of toch een deel ervan, baseren op iets wat hun niet verteld is, of op iets dat voor hen verdraaid is, met andere, hardere woorden: mag je je nakomelingen in een waan laten, dat zij zijn wie zij niet zijn. Mijn familienaam is Vanderwildt – een Vanderwildt-Cleerbaut ben ik in naam – maar ik ben een Van Swoll. Een Van Swoll-Cleerbaut. Ik heb dat nooit geweten. Dat is voor mij verzwegen. Men heeft zich de vrijheid gepermitteerd om daarover tegenover mij en anderen te zwijgen. Ik ga er niet onder gebukt. Bijna zeventig jaar Vanderwildt ga ik niet bij het groot- of grof vuil buiten zetten. Maar men had het mij op zijn minst kunnen zeggen. “Ik moet je iets vertellen.” Maar men heeft ons in een waan gelaten. Ik heb het eerder opgemerkt, Shakespeare’s statement “What’s in a name” is zoveel méér dan een dooddoener. Vreemd genoeg heeft deze beroemde claus mij altijd mateloos geïntrigeerd, voortdurend met intonaties jonglerend.

grootmoe-pontificaal

Dit zo uitspreken kan ik uitsluitend voor mezelf. Wat mijn moeder, mijn ooms en tantes, mijn broers en (achter-) neven en (achter-) nichten ervan vonden en/of vinden weet ik niet, en hoef ik ook niet te weten, en als ik al iets daarvan weet, ik zal er discreet over zwijgen. Ik ga nu ook niet meer verder spitten en graven, en interpreteren, analyseren, gissen, raden; er zijn coole complottheorieën te bedenken, noire filmscenario’s te schrijven, zwart-wit, Belmondo, Signoret, Gabin – een Simenon: Lettre à mes grands-pères. Maar het heeft geen zin, geen nut. Harmen Snel, medewerker van het Amsterdamse Stadsarchief – nota bene gehuisvest in het monumentale pand aan de Vijzelstraat waar ooit de Nederlandsche Handel-Maatschappij gevestigd was, waar mijn vader veertig jaar gewerkt heeft – vond eind 2014 een aantekening in het vreemdelingenregister, jaar 1914, waarin bij mijn grootmoeder voor de allereerste keer melding wordt gemaakt van het “buiten echt” samenhuizen met die Frederik Wilhelmus Hermanus Cornelis van Swoll, en dat grootmoeder met hem kinderen had, die met naam en toenaam worden genoemd, en van wie er dan een mijn vader is. Mijn vader is een Van Swoll, en ik dus ook, géén Vanderwildt. Het merkwaardige van een na de geboorte van zijn twee zonen spoorloos verdwenen Joannes Baptista Vanderwildt die bij Maria Theresia Cleerbaut nadien toch nog vijf andere kinderen zou hebben verwekt, was daarmee verklaard; hij was dus doodgewoon sowieso helemaal niet meer in beeld, wat er werkelijk met hem is gebeurd, we zullen het nooit weten, mogelijk is het gerucht dat in de Schotense familietak de ronde deed dat hij naar Amerika was uitgeweken, ‘m was gesmeerd, wáár, maar evengoed kan hij heel wat anders hebben uitgespookt, of was hij iemand van het kaliber “Ik ga even een pakske toebak kopen”, en dan niet meer komen opdagen.

grootmoe-in-breda

Jaren geleden ben ik op zoek gegaan naar een voor mij volstrekt onbestaande grootvader, over wie bij ons thuis ook niet echt, niet in duidelijkheid, werd gesproken, deed in diamant, gestorven toen mijn vader tien jaar was, dat wist ik wél, iets met de lever, gewond tijdens de heroïsche vlucht uit Antwerpen en aan zijn verwondingen overleden, zegt een achternicht dan weer, want haar grootmoeder, zuster van mijn vader, had haar dat zo verteld, ze nam het voor eervolle waarheid aan, en hij heette Vanderwildt, maar wist déze grootmoeder dat dát nu net níet een eervolle waarheid was? Er hing alleen een ingelijst pasfotootje in de huiskamer, en dat zou grootvader (Van Swoll?) verbeelden, ik heb er mijn twijfels over, helaas is het fotootje al even spoorloos als die andere grootvader, het hing boven het theemeubel naast eentje van grootmoeder, en ietsje verderop gelijkaardige fotootjes van de vader en de moeder van mijn moeder. Het mocht allemaal niet te groot zijn, denk ik. Niet te opvallend. Niet zo prominent dat je een vraag zou stellen. In de mythische familiefotodoos – langwerpig, karton, van buiten vaalgeel, licht gehavend, duizend enveloppen van de papierhandel Gebr. Winter hadden er ooit in gezeten – , die nogal eens op een winterse zondagnamiddag op het wollen tafelkleed op de tafel in de huiskamer werd gezet, en waarin we dan mochten grasduinen, “Wat doet dat doodsprentje van Koningin Astrid hier? Da’s toch een Bélgische koningin”, geen foto’s waarop “een” grootvader voorkwam. Nú weet ik dat het er twee hadden moeten zijn: de vader (Vanderwildt) van mijn ooms Karel en Frans, en de vader (Van Swoll) van mijn tantes Maria, Wil, Wies, Corrie, en van mijn vader, die nochtans alle zeven de familienaam Vanderwildt droegen. Op zich hoeft dat niet te verwonderen. Doordat Joannes Baptista onvindbaar was, kon grootmoeder niet van hem scheiden en werden al de kinderen die zij met Van Swoll kreeg ambtshalve ingeschreven met de familienaam Vanderwildt. Van Swoll heeft zijn rol als Vanderwildt vervolgens met verve gespeeld, prima acteur. Je kunt je daar de nodige vragen bij stellen. Als die onvindbaarheid dan zo nadrukkelijk en onomstootbaar was vastgesteld, met getuigen en al, en bovendien in verklaringen van Borgerhoutse schepenen meermaals geacteerd, waarom is Vanderwildt dan niet, ook ambtshalve, dood verklaard? Welk belang heeft grootmoeder erbij gehad om daar niet nog kordater werk van te maken? Men zegt: de tijdgeest, de schaamte, “buiten echt”, dat was nooit gezien, maak mij niks wijs, de zeden toen waren losser dan wat wij in de jaren negentienvijftig op ons bord kregen. En dus zeg ik: nonsens, heel wat koppels trouwden bijvoorbeeld pas als ze wisten dat ze kinderen konden krijgen want deze waren hun ouderdomsvoorziening, Maria Theresia trouwde met Joannes Baptista in dezelfde maand dat hun eerste zoon geboren werd, ook de ouders van de brave Frederik Van Swoll waren bij diens geboorte nog niet getrouwd, en wat nu “schaamte”?! Meermaals gaan aankloppen bij de gemeente Borgerhout, en zeggen dat je “behoeftig” bent, en dat je man je “verlaten” heeft, en je, ocharme, geen cent te makken hebt, help mij, en ze geloven haar, zo goed vertelt ze haar verhaal, terwijl ze “samenhokt” met iemand die handelt in diamant en alleen al daarom op z’n minst redelijk in de slappe was zit. Wat nu: moraliteit? Nee, ik ben niet woedend. Bij vlagen verontwaardigd. Dat dan weer wel.

Maar, ook dát is waar, wat heeft het voor háár betekend dat zij de man die haar uit de lege armen van Vanderwildt redde, met wie ze twintig jaar samenhuisde en die haar vijf kinderen schonk, zorg en vreugd gedeeld, nooit bij naam mocht vernoemen, en maar moest doen alsof, en alsof, en alsof. Kwam het virtuele bestaan van Vanderwildt misschien goed uit, zeker voor haar, maar ook voor Van Swoll? Wat heeft híj uitgespookt? Laat cynisme mij nu niet van de wijs brengen.

grootmoe-oom-frans

Toen ik aanvankelijk een wat beter zicht had op de levensloop van mijn grootmoeder – door het niet aanwezig zijn van Joannes Baptista verschoof alle aandacht naar haar – kreeg ik een zekere bewondering voor deze vrouw, die kennelijk een hard bestaan had gehad, en vele tikken had gekregen. En het is ook niet niks geweest: getrouwd, twee kinderen, man verdwijnt, minnaar duikt op (haar redder, ridder), nog vijf kinderen, avontuurlijke verhuizing naar Amsterdam, terugkeer naar Antwerpen met achterlating van de oudste zoon die inmiddels achttien is, het eerste kind van haar en Van Swoll sterft op haar achttiende, de vlucht voor de oorlog in 1914, het gezin dat dan uit elkaar gehaald wordt, gevierendeeld, de dood van Van Swoll in 1915, de dood op veertienjarige leeftijd van een andere dochter, een zoon die na de oorlog naar België weerkeert en die je nog slechts een enkele keer ziet en die nog tijdens je leven sterft en naar wiens begrafenis je niet kunt want daar ben je nu wel te oud voor, negentig, de oudste zoon die het niet redt in het leven en wiens kinderen je na zijn scheiding nooit meer zult zien en die als prille veertiger sterft op de dag dat je zelf vijfenzestig wordt. Een moeder die vier kinderen overleeft, wat niet het leven is, hoe overlééf je dat, en hoe bereik je dan zelf een leeftijd van halfweg de negentig? Zo vreemd is het niet dat er bij mij een beeld is blijven hangen van een oude vrouw in het zwart, die met een verbeten trek op haar gezicht, geaccentueerd door het ontbreken van gebit, in haar zetel aan het raam zit en over de Lauriergracht uitkijkt alsof ze elk moment verwacht iemand te zien verschijnen die zijn of haar hand zal opsteken naar haar, driehoog, en teken zal doen: Ik kom. Trek maar aan het touwtje. Wie verwacht ze? Vanderwildt? Van Swoll? Vanderwildt heeft haar lelijk laten zitten, in de jaren achttiennegentig, en Van Swoll eigenlijk ook, al is hij in 1915 natuurlijk niet uit eigen vrije wil doodgegaan. Bijna een halve eeuw leeft ze met enkel her-inneringen aan de twee mannen die ze heeft liefgehad, van wie ze kinderen heeft gedragen, en is zíj het dan die zó woedend is, dat ze niets anders kan doen dan zwijgen? Maar waarom, in hemelsnaam waarom, zetten haar kinderen die niet van Joannes Baptista zijn, dan op het bericht van haar overlijden toch nog: “Weduwe van Joannes Baptista Vanderwildt”, de spoorloze, en wordt hun échte vader Van Swoll de facto genadeloos – mag ik het zo zeggen? – doodgezwegen? Mijn echte grootvader wordt niet eens genoemd als mijn grootmoeder sterft. Hoe dwaas is dat?

Nee, woedend ben ik niet. Ik schreeuw niet. Het niet uit. Ik roep niet. Toch vind ik mijn grootmoeder niet meer zo heel erg die “straffe madam”, ze had wat moediger, standvastiger mogen zijn in de erkenning van Van Swoll als de vader van vijf van haar kinderen en de grootvader van elf van haar kleinkinderen – en mijn vaders zwijgzame aard, die niet fijn was, voor niemand niet, bij leven al nam hij veel geheimen mee in zijn graf, kan ik nu wel, zijn levensloop lezende, een beetje beter plaatsen. En was het per slot niet zíjn vrijheid om te zwijgen… Of niet?

Nee, ik denk inderdaad van niet. In De Morgen van 17 september 2016 citeert Koen Vidal in een gesprek met haar de Iraans-Belgische actrice: “Ik werd gek van mijn [zwijgende] moeder. Hoe kon ik nu weten wie ik was als ze de familiegeschiedenis achterhield?”

ik-aan-zee-grote-pet

Foto’s, van boven naar beneden, allemaal uit die fameuze familiefotodoos: Grootmoe op haar eenenzeventigste verjaardag in 1938 – Grootmoe in een kenmerkend perspectief (wie heeft díe foto gemaakt?!) – Grootmoe met dochter Wil op bezoek bij mijn vader en moeder en mij in Breda in 1947/1948 – Grootmoe op bezoek bij haar zoon Frans in Schoten – Ikzelf, scharminkel, in kabbelende golfjes aan het blijde strand van Parnassia bij Bloemendaal waar ik in mijn kinderjaren zo vaak ben geweest, met de veel te grote zwart-groen gestreepte keeperspet van mijn broer door mijn moeder zelf gemaakt, toen al mijmerend over – laat ik me maar eens even flink frommiaans laten gaan – De vrijheid van het zwijgen…

Familie2551px 123 107 45

Tekst ©2016 Rob Vanderwildt – Achtergrond logo ©www.myfreetextures.com

 

Even zitten

moeder-op-kantoor

Aan mijn blog schrijf ik op mijn laptop én via de WordPress-app op m’n mobieltje. Vrijdag kreeg ik daar op een melding die ik niet goed begreep, wat resulteerde in een premature publicatie van het onder handen zijnde verhaal. Geen nood, ik heb alsnog de nodige veranderingen kunnen aanbrengen, en tegelijkertijd de foto’s beter gelay-out.

Van deze gelegenheid – een extra blogbijdrage – wil ik gebruik maken om een eenvoudige stamboom neer te zetten – alleen mijn tak – , sommige lezers raakten wat in de war, begrijpelijk. Dus:

■ Grootmoeder Maria Theresia Cleerbaut (Duffel 1867 – Amsterdam 1962) trouwt in 1889 in Antwerpen met ■ Joannes Baptista Vanderwildt (Puurs 1864 – spoorloos).

Zij krijgen twee zonen:

■ Joannes Baptista Carolus, Karel (Antwerpen 1889 – Antwerpen 1932); en ■ Joannes Baptista Franciscus, Frans (Antwerpen 1891 – Schoten 1957).

Joannes Baptista verdwijnt, spoorloos, en Maria Theresia begint een relatie met ■ Frederik Wilhelmus Hermanus Cornelis van Swoll (Amsterdam 1863 – Amsterdam 1915).

Zij krijgen vier dochters en één zoon:

■ Maria Frederica Hendrica, Maria (Antwerpen 1896 – Borgerhout 1914); ■ Elisabeth Wilhelmina, Wil (Amsterdam 1899 – Amsterdam 1972); ■ Louisa Theresia, Wies (Amsterdam 1900 – Amsterdam 1994); ■ Cornelia Josephina, Corrie (Amsterdam 1903 – Amsterdam 1917); en ■ Fredericus Wilhelmus Hermanus Franciscus, Vader Frans (Amsterdam 1906 – Haarlem 1982).

Vader Frans huwt in 1939 met ■ Anna Gijsbertha Hoenson, Bep (Amsterdam 1912 – Haarlem 1979).

Zij krijgen vier zonen:

■ Franciscus Leopold, Frans (Amsterdam 1940 – Eindhoven 1986); ■ Albert (Amsterdam 1942 – Amsterdam 2014); ■ Robert, Rob (Breda 1947); ■ Ronald Clemens, Ronald (Haarlem 1953).

Maria Theresia heeft zeven kinderen gehad en zestien kleinkinderen.

Ik neem me voor de volgende keer een laatste verhaaltje te schrijven over mijn familiegeschiedenis. We eindigen in schoonheid. Op vraag van enkele trouwe volgers wil ik nadien de verhaaltjes nog eens redigeren en er een e-publicatie van maken, die via de Kobo-winkel te verkrijgen zal zijn. (Dergelijke publicaties zijn tegenwoordig ook goed te lezen op een smartphone!)

Mijn blog zelf zal eventjes vakantie nemen. Hoelang, geen idee, maar héél lang zal het niet gaan duren… Er sudderen plannen.

Dank tot zover voor het volgen van deze familiegeschiedenisblog. Mocht je iets willen opmerken, heel graag. Altijd welkom op robvanderwildt@telenet.be.

Op de foto hierboven mijn moeder in 1938 in het kantoor van de Eerste Nederlandsche Levensverzekerings-bank, waar ze na haar huwelijk in 1939 niet mocht blijven werken. Het is niet uitgesloten dat Vader haar dat verbood. (Moeder draagt mooie schoenen, vind ik.)

Familie2551px 123 107 45

Tekst ©2016 Rob Vanderwildt – Achtergrond logo ©www.myfreetextures.com

 

Breda et cetera

breda-tram-buskopie

Na de Eerste is nu ook de Tweede Wereldoorlog voorbij. Het zijn benauwende, beangstigende jaren geweest. Jaren waarin je bang was. Bang opgepakt te worden. Bang dat je fiets door de Duitsers werd weggejat. Vader sleepte de zijne driehoog hun woonst aan de Overtoom binnen, reed bij duisternis, zonder de dynamo op het voorwiel te zetten, de polder in om aan een zak aardappelen te geraken. Je kon niets zonder fiets. Dat hadden de Duitsers begrepen. Vandaar dat wegjatten. Vader moest ervoor zorgen dat Moeder, zoon Frans van 1940, en nu ook zoon Albert, van 1942, te eten hadden; Albert, ja, genoemd naar de Belgische soldaat-koning Albert van de Eerste Wereldoorlog, bij grootmoeder heeft altijd dat iconische portret van hem achter haar zetel/fauteuil gehangen, je begrijpt het niet goed, na al die miserie, maar het zal weerom zo gedaan zijn, om Vaders moeder een plezier te doen. Asjeblieft, Moe… Het bleef ditmaal wel bij één naam, Albert, uitgesproken als Albèrt. Daar stond Albert met volle strepen op.

Vader en Moeders huwelijksgeluk dat in september 1939 pontificaal begonnen was, de pralende bruidssluier (foto) gedragen door moeders acht jaar jongere zus Atty, en door vaders nicht Loeki, dochter van zijn zus Wies, beiden – jongere zus en nicht – ongeveer huwelijksfotoeven oud, een imposant bruidsboeket dat Moeder zelf droeg, weliswaar door de oorlogsjaren overschaduwd, maar gezegend met die twee zonen, net geen twee jaar schelend van elkaar, een ideaal gezin. Spijtig, spijtig dat Moeder door haar huwelijk gedwongen was haar kantoorbaan bij de Eerste Hollandsche Levensverzekerings-bank op te geven, met haar getuigschrift van 1 juli 1929 van de “vierjarigen cursus” aan de Bosboom-Toussaintschool, een “openbare school voor uitgebreid lager onderwijs met algemeen ontwikkelend leerplan”, had ze voor die tijd sterke troeven in handen, en ze was een graag geziene collega op de koop toe. Ze deed het ook zo graag, als ze nu had geleefd, ze zou nooit ofte nimmer haar werk hebben laten staan. Voor geen enkele prins, hoe wit ook zijn paard geweest zou zijn. Maar als vrouw getrouwd, je raakte een hoop rechten kwijt. Ook haar zus had een goeie baan, Vader loodste haar de Nederlandsche Handel-Maatschappij binnen, maar het is ongetwijfeld aan de fiere ouders van Moeder – Cornelis Hoenson en Anna Ransijn – opa-oma-hoenson-ma-pa(op de foto aan de wandel, even uitblazend op een bankje, met Moeder en Vader) te danken dat de dochters zo’n voor die tijd goede opleiding kregen, ze waren zelf met minder aan de start moeten verschijnen: huisschilder en dienstbode, maar die fierheid, ja, in mijn herinnering had Opa die, alleen hém heb ik gekend, Oma niet, ik heb over hem geschreven, eerder al. Er zitten leuke foto’s van Opa en Oma en Moeder en haar zus in de familiefotodoos, waaruit warmte komt. De winter van 1944-1945 is in Nederland echter ongemeen hard, de oorlog is, in tegenstelling tot het dichter bij Frankrijk gelegen België, waar in september 1944 het geraas was gestaakt – al sloegen de Duitsers nog hard toe, onder andere op Antwerpen, met hun gevreesde gemene V-bommen – , nog niet achter de rug, bij onze noorderburen is sprake van een genadeloze hongerwinter, er is amper eten, de mythe van het bloembollen-eten is geen mythe maar harde werkelijkheid, een manier om te overleven. Dat is Moeders moeder niet gegund. Maria Ransijn sterft uitgehongerd en uitgeput op 7 februari 1945, zestig jaar oud, er sluipt een verdriet in het hart van mijn moeder dat haar nooit zal verlaten. Dat ze niet ietsje langer is mogen blijven leven – dan was ze er bovenop gekomen, zeker weten. Ze zal het nog vaak tijdens haar leven herhalen. De rekening voor de begrafenis-uitvaart op 16 februari op de begraafplaats Buitenveldert aan de Amstelveenseweg, bedroeg, zegel inbegrepen, 387,00 gulden. Ze hadden gekozen voor een Klasse IV-begrafenis. De rekening somt op: Lijkkoets, aangifte aan Burg. Stand, 1 acte Overlijden, aanzeggen, overbrengen van Overledene vanuit het Sterfhuis naar Aula Vondelstraat 101, opbaring aldaar en ontvangst Familie, personeel, leiding, grafrechten, imitatie eikenrouwkist met kruis, omzetbelasting, administratieonkosten en het vervullen van de voorgeschreven formaliteiten enz.” De lijkkoets was in Moeders herinnering slechts een stootkar. De begrafenisondernemer hield wellicht van wat opsmuk, was misschien zelf ook beschaamd dat hij voor geen koets had kunnen zorgen, en deed dan maar of er wél een was geweest.

Het definitieve oorlogseinde valt op 5 mei 1945, het dagelijkse leven moet zich hernemen, puin dient geruimd, verdriet moet worden opgeborgen, op z’n minst tijdelijk, de wederopbouw in gang gezet, Marshall verwelkomd. Bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) waar Vader werkt, in feite een bank, wordt geld geroken. Geld dat door boeren tijdens de oorlogsjaren is vergaard door gewoeker met de prijzen die zij vroegen voor aardappelen, melk, vlees, voor alles wat zij verbouwden, teelden, oogstten en slachtten, alles wat de burger hard nodig had en wat deze in onvoldoende mate met zijn distributiebonnetjes bijeen kon krijgen. Dat zwarte geld zit nu in zwarte kousen die op zolders liggen in boerderijen in onder andere een landbouwprovincie als Noord-Brabant, en de NHM legt aan Vader een carrièreswitch voor: u mag voor ons naar Breda gaan, daar in ons (op te richten?) filiaal zullen wij u vervolgens belasten met de opdracht zoveel mogelijk van dat goed opgeborgen geld op rekeningen van onze bank geplaatst te krijgen. U wordt procuratiehouder. U mag werken met volmachten. Zo’n opdracht was helemaal niks voor Vader natuurlijk, hij was er veel te eerlijk voor, had geen enkel verkooptalent, was geen koopman, te gewetensvol, als iemand niet wilde kopen dan wilde die toch niet kopen, hij kon alleen overtuigen als het niet voor zijn eigen portemonnee was, en dan, ja dán kon hij het, met verve en met gloedvol resultaat. Lullen als Brugman, heel zijn lijf deed eraan mee, een feilloos organisator was hij, op de koop toe. Áls het maar voor het goede doel was. Als de speeltuin in de wijk een clubgebouwtje nodig had, dan kreeg hij dat voor mekaar door ergens een grote directiekeet uit de bouw te regelen, vervoer werd op de koop toe bij een mede-parochiaan afgetroggeld. Waarom dan op zo’n aanbieding ingaan? En Amsterdam verlaten, meer bepaald zijn moeder, hij het moederskind, en zijn zussen, naar het onbekende Breda, ver weg gelegen onder de Moerdijk, Brabants versus Hollands, die Brabanders gaan niks van die Hollander willen weten, een Belgische moeder en acht jaar Vlaamse kindertijd maakten nog geen “een van ons” van hem – om het dan nog maar niet te hebben over wat Moeder ervan gevonden heeft, die al veel had laten vallen, haar werk, haar gevoel dat ze autonoom zou kunnen zijn, en haar moeder nog niet zo heel lang geleden had verloren, rouw duurt zeker een jaar of twee, en deze omwenteling kwam te vroeg, en nu haar vader achterlaten, haar zus en haar tante (een zus van Opa) zouden wel voor hem zorgen, maar toch, van Breda ga je niet eventjes een dagje naar Amsterdam, pleeg je dan vaandelvlucht – , hééft ze een stem in het kapittel gehad? Ik denk eerlijk gezegd van niet.

Op 17 augustus 1946 betrekken ze het ruime huis gelegen Vondelstraat 36 te Breda. Ik moet verwekt zijn kort voor hun vertrek, of net erna, is dit laatste het geval, dan kom ik te vroeg ter wereld, op 10 april 1947 in de namiddag. Het huis ligt aan de rand van Breda. Nu allang niet meer natuurlijk. Toen nog wel. Ik herinner me vaag een ontzettend groot stuk braakliggend land achter het huis met helemaal aan de andere zijde de school waar mijn oudere broers nu naartoe gaan. Gerard Otten van de gemeente Breda en redactielid van het heemkundeblad Engelbrecht van Nassau, bevestigt de correctheid van mijn vage herinnering. Hij bezorgde me ook de foto in de aanhef, waar ik later in dit verhaaltje naar zal verwijzen. Ik herinner me een schommel in de tuin van het huis. Een valpartij, met een bloedneus. Ik onstuimige. Vage beelden. Mijn eerste herinneringen zijn abstract. Diffuus. Volatiel. Zoals infantiele herinneringen zijn. We verlieten Breda immers al vier jaar nadat we er aangekomen waren. Want Vader kon dit werk niet, en het moge hem tot eer strekken dat hij geen zaken wilde doen, niet kon doen, met boeren die hun zakken tot berstens toe hadden gevuld met zwart geld ten koste van al wie onder dat verdomde oorlogsleed gebukt had moeten gaan. Maar hij zát daar wel, in Breda, en Frans en Albert gingen er naar school, naar de chiro, de welpen, en Moeder zat daar, met die jonggeborene die algauw buiten de lijntjes kleurde, en ik denk wel dat hij het keihard geprobeerd heeft, Vader, maar het wilde niet lukken, het kón niet lukken, hij ging met hangende pootjes op het hoofdkantoor van de NHM in de Amsterdamse Vijzelstraat vragen of hij van zijn opdracht ontheven kon worden en terug mocht komen. Nu, dat mocht. En vrij snel moest het zelfs. Vader trok tijdelijk bij zijn moeder en zus in, dagelijks heeen en weer, dat ging niet, nu zat Moeder moederziel alleen in ver Breda met drie jongens. Zéér ongelukkig, vrees ik. Gevangen. Vader was wél bevrijd, al zal zijn carrière erdoor gefnuikt zijn geweest, als hij die al had willen maken, in elk geval ontdeed hij zich definitief van het flamboyante dat hem in zijn jongere jaren zo uitgetekend had. Hij werd een wat ascetisch man. Strafte hij zichzelf voor wat in zijn beleving een mislukking was? Sloeg het calvinisme van Oom Willem uit Alkmaar toe? Of was dat al veel eerder gebeurd, kort nadat na het huwelijk romantiek had plaatsgemaakt voor realiteit? Is er in de oorlog iets onherstelbaars voorgevallen? Nooit heeft hij iets over die zaken losgelaten, we hebben bijvoorbeeld pas na zijn dood via-via vernomen wat de ware reden van zijn vlucht uit Breda was geweest.

Verhuizen was in die jaren 1950 zo kort na de oorlog geen eenvoudige zaak in Nederland, je moest een hele ruil op touw zetten, met mensen die naar jouw gemeente wilden komen, en met mensen die naar de gemeente wilden gaan waar die eerste mensen vandaan kwamen, en die dan een huis achterlieten waarin jij wel wilde wonen. Volg je? Zo gingen er in ons geval – als ik het wel heb – mensen van Haarlem naar Deventer, en die van Deventer naar Breda, en konden Vader en Moeder, Frans, Albert en ik naar Haarlem, dat dicht bij Amsterdam ligt. Vader zou gaan pendelen, forenzen. Wat een grandioos en meeslepend avontuur had moeten worden daar in de Prinsenstad in het Zuiden, was uitgedraaid op de grap van het turfschip van Breda. Het “bovenhuis” in Haarlem – uitgerekend de geboortestad van Moeders moeder – was veel te klein voor een gezin met drie jongens, Vader had daar wijselijk over gezwegen, voor moeder kwam de eerste aanblik aan als een mokerslag. Pal in haar gezicht. Ongeloof. Dít is wat je me aandoet? Voor de zoveelste keer moest zij iets laten vallen. Hoe heeft ze zich haar ja-woord uit 1937 herinnerd? Maar Vader wilde wég uit Breda, in zulke omstandigheden was hij ontembaar. Een vreemd toeval was het dat dit huis, in de Zaanenstraat, nummer 43, in een uitbreidingswijk van Haarlem stond, Haarlem-Noord, dat tot 1927 de gemeente Schoten was, in dat jaar door Haarlem geannexeerd. Schoten was ook de naam van de gemeente in België waar Vaders oudere (half-) broer naartoe verhuisde… Toeval bestaat. Er is meer te melden, nu we toch hier zijn aanbeland. Vader vond zijn naam Frits heel erg lelijk, de naam klonk voor hem als de naam van een hond, zoals hij ooit aan mijn broer Albert toevertrouwde in een zeer zeldzame bui van openhartigheid, van kwetsbaarheid, hij liet zich dan maar Frans noemen, volkomen negerend – of bewust juist niet – dat er in het gezin al een Frans wás – die in dat Belgische Schoten – maar ja, die Frans was in 1919 naar zijn vaderland teruggekeerd, naam verbeurd, mensen zijn uitgombaar, en what’s in a name, wie kon er last hebben van twéé Fransen, was het weer zo’n toegevinkje aan de dominante grootmoe, die ter compensatie van het “verlies” van de ene Frans, graag een “nieuwe” Frans had? Asjeblieft, Moe… Zo hoorden wij dus Moeder Vader aanspreken met Frans, en werd er in het gezin terzelfdertijd gewag gemaakt van Oom Frans in België, broer van Vader… Daar stond je niet bij stil.

Nu, toch nog even terug naar Breda. De verhuizing was voor mij traumatiserend. Ik beken. De verhuiswagen was een echte Hollandse verhuiswagen, met een opbouw in houten, zwaar geverniste houten planken, verticaal geplaatst, in zwarte sierletters de naam van de verhuisfirma erop, en met boven op de cabine van de verhuizers een tweede cabine voor de verhuizenden, maar er was geen plaats genoeg voor vijf, en bovendien had broer Albert last van wagenziekte, dus gingen hij en Moeder met de trein, en toen ik ze samen zag weggaan, kroop bij mij in mijn lijf de zekerheid binnen dat ik Moeder nooit meer zou terugzien. Drieëneenhalf was ik, ik zie me daar staan, en voel de angst na zesenzestig jaar nog even sterk. Maar dit terzijde. Moeder had in Antwerpen een oom wonen, een Hoenson, Oom Adriaan, een wat avontuurlijke jongere broer van haar vader, die in de boterbranche terecht was gekomen, naar België was gegaan, er een meisje uit Mechelen had ontmoet, met haar getrouwd, verhuisd naar Rotterdam, zoon Herman geboren, directeur geworden van een boterfabriek aan het Spui in Amsterdam, en daar ook gaan wonen, maar dan toch weer naar Antwerpen terug, in 1931, – het ging in die jaren beter met de Belgische economie dan met de Nederlandse, de Belgische frank stond stukken sterker dan de Nederlandse gulden, er zijn veel Nederlanders toen naar hier gekomen en gebleven, er zijn nogal wat leeftijdgenoten van me hier die Nederlandse ouders hadden, het iconische Antwerpse touringcarbedrijf Pam Vermeulen was begonnen door een Nederlander, die aanvankelijk landgenoten heen en weer bracht – Oom Adriaan dus, begon een winkeltje in zuivelproducten in de Groendalstraat, hoek Wiegstraat, waar ik zelf nog even heb gewoond in de jaren 1970, in het wijkje dat De Wilde Zee wordt genoemd, en dat ook de vele Nederlanders die Antwerpen met een toeristisch bezoekje vereren wel kennen, het ligt dicht bij de Groenplaats, en er zijn leuke winkeltjes, je eet er smoutebollen bij Désiré de Lille. Moeder en ik zijn hem een keer vanuit Breda gaan bezoeken, een hele daguitstap, eerst met bus 15 van de BBA van Breda naar de grens bij Wuustwezel, en dan overstappen op de “boerentram” lijn 64 naar Antwerpen. (foto) Ooit heb ik zelf geregeld diezelfde tram gebruikt om tot aan de grens te rijden en daar te trachten een lift te krijgen naar Haarlem voor een bezoekje aan mijn ouders, als het op de IJzerlaan in Antwerpen niet had willen lukken. Moeder en ik zullen uitgestapt zijn op wat nu de Rooseveltplaats is (Roosevelt, WOII), toen nog de Victorieplaats (Victorie, WOI), en dan te voet, over de Meir, naar dat winkeltje woom-adriaan-winkel-groendalaarvan je hier een foto ziet, met Oom Adriaans vrouw in de deuropening, en met hemzelf amper zichtbaar, al even bescheiden als zijn oudste broer wellicht. Of Moeder deze foto heeft gemaakt, ik kan het niet met zekerheid zeggen. Ik betwijfel het. Vader zou tijdens zijn ongelukkige “diensttijd” in de Falconkazerne in 1937 een enkele keer bij Oom Adriaan en zijn vrouw zijn langsgeweest, mogelijk is hij het die de foto genomen heeft. De herinnering aan wat een formidabele daguitstap moet zijn geweest, een wereldreis voor zo’n peuter, is al even vaag als alle andere uit mijn Bredase periode, en misschien is ze zelfs een reconstructie, gebaseerd op wat me later verteld is, maar veel verteld is er in de familie nooit geweest, zoals je weet, dus denk ik dat er toch iets van blijven hangen is in mijn eigen geheugen. Maar een familiegeschiedenis als deze blijft een zaak van reconstrueren, en zelfs van construeren.

Familie2551px 123 107 45

Tekst ©2016 Rob Vanderwildt – Achtergrond logo  ©www.myfreetextures.com

Vader | ‘Piot’

1937 Alleen Volle uitrusting

Als de Eerste Wereldoorlog eindigt, keert ook het ouderlijk gezin van mijn vader terug tot de orde van de dag. Min of meer toch. Voorzover ze dat kunnen. Het gezin is gehavend, niet alleen door de oorlogsgruwel, niet alleen door de vlucht. Er is verlies geweest, veel, tristesse, momenten van blijheid en van grote zorgen wisselden elkaar af. Onzekerheid. De eerste vader, onze familienaamgever, Joannes Baptista Vanderwildt, was al zo’n vijfentwintig jaar volmaakt spoorloos, de tweede vader, die de vader van mijn vader was en mijn natuurlijke grootvader, Frederik Wilhelmus Hermanus Cornelis van Swoll, was in 1915 gestorven, ruim een jaar na de dood van dochter Frederica Maria Hendrica (Maria). Dochter Cornelia Josephina (Corrie) liet het leven in 1917, het jaar waarin het gezin net herenigd was, nadat mijn vader en drie zussen als kindvluchtelingen bij families in Alkmaar ondergebracht waren geweest. Op één na oudste broer Joannes Baptista Franciscus (Frans) was in 1910 al getrouwd, en zou in de loop van het jaar 1919 met vrouw en drie kinderen naar Borgerhout terugkeren. Oudste broer Joannes Baptista Carolus, Karel, was in 1907 in Amsterdam gebleven, maar had het kennelijk niet onder de markt, wist op achttienjarige leeftijd nog niet goed hoe richting te geven aan zijn leven, we zien hem tussen 1907 en de vlucht in 1914 af en toe bij zijn moeder, mijn grootmoeder, in Borgerhout terug, al trouwt hij in 1912, wat hem niet belet zich toch nog eens tijdelijk in de Godtsstraat te vestigen. Hij en zijn vrouw krijgen een dochter en een zoon, in 1912, in 1915, hun huwelijk redden ze er niet mee. Ten lange leste vraagt de vrouw de scheiding aan, die in 1921 wordt uitgesproken, bij verstek, Karel is in 1920 al bij zijn oudere broer Frans gaan aankloppen om een bed, gaat na een paar maanden toch nog even terug naar Amsterdam, ook weer voor een paar maanden, weer terug naar Antwerpen, laat zich zelfs niet uitschrijven, wat de gemeente Amsterdam dan maar ambtshalve doet in december 1921. Karel sterft dik tien jaar nadien in het Antwerpse Stuivenberggasthuis. Hij was, net als zijn vader, in de ogen van de leden van het ouderlijke gezin, “verdwenen”.

Balancerend tussen vrolijkheid en droefheid houdt grootmoeder Maria Theresia Cleerbaut zich dankzij haar dochter Elisabeth Wilhelmina (Wil), die nooit zal trouwen en voor haar moeder zal blijven zorgen, nog ruim een jaar of veertig staande. Dochter Theresia Louisa (Wies) huwt en wordt moeder van een dochter – en woont eerst nog een tijd met haar in bij grootmoe – en een zoon. Mijn vader, de jongste, groeit zodoende op in wat je gerust een vrouwelijke omgeving mag noemen, al ontfermt die Alkmaarse Oom Willem zich als een soort van Ersatz-vader over hem, maar deze wat merkwaardige man, die erg protestants-kerkelijk is, een zelfstandig meubelgarnierder, ongetrouwd, samenwonend met twee eveneens ongetrouwde zussen, ik ruik nog de Sint-Annastraat 23 in Alkmaar, iets met jongens heeft, niet per se bedenkelijk, heeft wellicht niet zo goed voor een fijn evenwicht tussen animus en anima in de persoonlijkheid van mijn vader gezorgd. De dertiende fee in wat een sprookje had kunnen zijn, gaf hem in weerwraak voor zoveel vrouwelijkheid en niet-mannelijkheid, vier zonen, bij de vierde schreef hij, zich verzoenend met zijn lot, dat het klavertje-vier nu wel compleet was, ja-ja, toch had ik – de derde zoon – “een meisje moeten zijn”, zei hij mij ooit, hij meende dat, dat voelde je. Ik voel het quasi-verwijt, zíjn teleurstelling nog. Ook mijn animus-animabalans kreeg een tik. Nu goed, hij heeft het gewoon moeilijk gehad als kind en puber, maar zonder hem, mijn vader, te kort te doen, mag je gerust zeggen dat hij een moederskindje was, het febbeke, zoals de Antwerpenaar het zo treffend kan zeggen. Hij had alles. Kon de driejarige Hoogere Burgerschool aflopen, kon op achttienjarige leeftijd gaan werken, als vertegenwoordiger in modieuze dameshoeden, de collectie hoeden werd per trein vooruitgestuurd, naar Groningen bijvoorbeeld, Vader volgde dan enkele dagen later, en verbleef op hotel. Nadien werkte hij nog voor de tabaksfabrikant Turmac, de Turkish-Macedonian Tobacco Company, met vestigingen in Amsterdam, Zürich en Bruxelles, ik heb hier een sigarettenblikje uit die tijd voor me liggen – uiteindelijk bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij (de NHM, de Nederlandse “Generale”), Vijzelstraat 32 hoek Keizersgracht, Amsterdam, waar hij zijn veertigjarig jubileum zou halen. Had een motorfiets, liep erbij als een dandy, strooien hoed, bamboe wandelstokje – een rottinkje genoemd – , gele slobkousen, zat op dansles, bokste, voetbalde in het bedrijfsteam Nehamij, deed aan amateurtoneel, had een hechte vriendenclub, verloofde zich pas op zevenentwintigjarige leeftijd, en trouwde met mijn moeder Anna Gijsbertha Hoenson, kantoorbediende bij de Eerste Hollandsche Levensverzekeringsbank, Keizersgracht 174-176, Amsterdam, in september 1939, toen hij al drieëndertig was.

Er was nochtans ook enige kommer-en-kwel. Vader zat met die Belgische nationaliteit, maar voelde zich Nederlander, België zei hem niets meer, hij had er immers amper acht jaar gewoond, als kleine jongen dan nog, was er niet eens geboren, zijn vader had Nederlands bloed, hoorde alleen bij moeder thuis nog wat Vlaams, en voor de rest werd veel van dat verleden onder de tapijten geveegd. Dat moest anders. Per 30 januari 1935 diende hij zijn rekest voor naturalisatie in, een procedure die maar liefst vier jaar in beslag zou nemen, in zijn dossier bij het Algemeen Rijksarchief in Den Haag hadden drieëntwintig stukken moeten zitten, waaronder processen-verbaal van verhoor met allerlei persoonlijke gegevens, adviezen van diverse bestuursniveaus enzovoort, maar, helaas, zo schrijft in 1993 datzelfde Rijksarchief mij, “zijn al deze stukken betreffende onder anderen uw vader verloren gegaan; we kunnen niet vaststellen hoe dat gekomen is, maar als ze er wél nog waren geweest, dan had u over uw vader heel wat achtergrondinformatie kunnen verkrijgen”. Maar helaas dus. Maar de procedure liep. Zij het traag. Trager dan tegenwoordig. Telkens werd een groep rekesten onderzocht en onderzocht en werden er uiteindelijk parlementaire beslissingen genomen, waarna bij wet (!) de Nederlandse nationaliteit aan deze en gene werd toegekend. Het is intrigerend om in de verslagen van de besprekingen in de Eerste Kamer der Staten-Generaal (vergelijkbaar met onze Senaat) te lezen welke bekommernissen de politici toen hadden ten aanzien van de opname van vreemdelingen, en één groep in het bijzonder, die van het “Joodsche ras”, zowel in positieve als in negatieve zin, gelijkenissen met de dag van vandaag zijn duidelijk en relevant. “Sommige leden [van de Commissie van Rapporteurs] drongen naar aanleiding van eene onlangs voorgevallen débâcle in de financieele wereld, welke algemeen de aandacht heeft getrokken en waarbij een indertijd genaturaliseerd persoon betrokken is geweest, nogmaals er op aan, dat de Regeering bij het instellen van onderzoekingen omtrent de onderscheidenen aanvragers de uiterste nauwgezetheid in acht zou nemen. […] zoo achtten de hier aan het woord zijnde leden nochtans [dat] aan de opneming van zoovelen in het Nederlandsche staatsverband eenig gevaar verbonden [is]. Gelijk toch in andere landen is gebleken [dat verzoekers] in menig geval duurzaam aan vreemde invloeden bloot staan.” Andere leden wijzen erop dat de opneming in dat Nederlandse staatsverband voor vele verzoekers juist het gevolg is van hun behoefte zich aan “vreemden invloed” te kunnen onttrekken. Het is een boeiende, leerzame discussie, in een zeer lastige tijd. In buurland Duitsland steekt een bijzonder ongure wind op, Hitler mobiliseert de bevolking al in 1936, en de omringende landen nemen uit ongerustheid gelijkaardige maatregelen, en zo belandt op een dag in datzelfde jaar op de deurmat van de Amsterdamse Nassaukade 344, waar Vader tweehoog woont met zijn moeder en alleen nog zijn zus Wil, het bevel om zich in Antwerpen te melden voor de militaire keuring, Vader werd opgeroepen voor de klasse (lichting) van 1937, inschrijvingsnummer 105.862.284. De gemeente Borgerhout, waar vader het laatst ingeschreven stond, levert een verklaring af waaruit blijkt dat er geen administratieve bezwaren zijn om Vader op te roepen voor een dienst van zeventien maanden. Hij is immers “né d’un père belge”. Wat wél opvalt is, dat onze spoorloze Joannes Baptista Vanderwildt op dit document probleemloos als “overleden” vader van Vader staat vermeld, en dat men toch op de hoogte moet zijn geweest van eerder afgelegde officiële verklaringen door het gemeentebestuur omtrent de spoorloosheid van Joannes Baptista en van alle onzekerheid over zijn “in staat van leven zijn”. Maar gemeentesecretaris Bogaert heeft daar kennelijk geen weet van en ziet er geen graten in om het woordje “overleden” in te vullen, terwijl toch ook het Consulaat-Generaal van België in Den Haag er nooit in slaagt enig bewijs van Vanderwildt’s overlijden te leveren. Ik blijf me afvragen hoe dat dan allemaal gewerkt heeft in die tijd. Het was ook niet voor het eerst. Waarom heeft de familie hiervan nooit gebruik gemaakt om te zeggen: zie je nu, in Borgerhout bevestigen ze dat hij dood is. Op grond waarvan heeft Bogaert dat geschreven? Heeft hij er enig bewijs voor gehad? Dat zullen we nooit weten, hij en zijn burgemeester zetten in elk geval op 22 juli 1936 stempels en handtekeningen op het “Immatriculatie-bulletin”, de dag nadien wordt Vader aan de keuring zelve onderworpen. Men stelt vast dat hij 1m66 groot is (nooit beseft eigenlijk dat hij zo klein was) en gezond, brildragend, dat wel, “myope”, maar voor de rest is er geen probleem, acht majoor Duquesne, le Commandant du Bureau de Recrutement, die vervolgens vaststelt dat Vader geen bijzondere kennis heeft van snelschrift (steno), machineschrift (toch is hij al twaalf jaar “klerk”), rijkunst (ruiterij), autovoertuig, duiven (sic!), fotographie (Vader was nochtans een vlijtig fotografeerder en had een uitklapbaar fototoestel van zichzelf; niet niks voor die tijd) en vliegkunst, maar wel van fiets en motorrijwiel. Op 25 februari 1937 treedt Vader daadwerkelijk in dienst van het 5e Linieregiment, gelegerd in de Antwerpse Falconkazerne, in tegenwoordigheid van luitenant Peeters leest sergeant De Leeuw hem de militaire wetten voor. Er zitten in de familiefotodoos enkele foto’s van Vader uit deze diensttijd. Eentje zie je hierboven. Hij staat er niet echt stralend op. Dat kan ook niet. Je bent een man van ruim dertig, je woont en werkt al ruim twintig jaar in Amsterdam, je bent verloofd, je hebt niets met België, je voelt je op en top Nederlander, je naturalisatierekest is lopende, en nu moet je ineens in de “Foakes” ofwel de “Rattekenskazerne”, een kazerne die in het begin van de negentiende eeuw nog door Napoleon was gebouwd in de buurt van de dokken, dicht bij het huidige MAS, zodat de kleine generaal zijn “pistool op het hart van Engeland gericht kon houden”, zeventien maanden van je leven doorbrengen met al die andere “piotten” (dienstplichtigen) voor wie je die “Ollander” bent. De Falconkazerne is in 1941 ter ziele gegaan. Eenzaamheid en heimwee overvallen Vader. Hij bezoekt geregeld het Militair Hospitaal in de Lange Leemstraat. Het wordt onhoudbaar. Hij stuurt aan op herkeuring. Oorperforatie. Hij vraagt om tijdelijk ontheven te worden van zijn plichten, belooft zich beschikbaar te houden op het adres van zijn oudere broer Frans, die inmiddels in Schoten woont. Per 1 juli mag hij gaan. Ma 1937 ScheldeoeverHij laat zich fotograferen in de tuin achter het huis van zijn broer, en gaat vervolgens met mijn moeder op fietsvakantie… in België, hij fotografeert haar op de linker Schelde-oever met de rede van Antwerpen op de achtergrond. Zou je pal links van haar door de bebouwing heen kunnen kijken, je zou zo de Falconkazerne zien liggen. In vogelvlucht nog geen kilometer. Nu vraagt hij drie maanden verlof zonder soldij aan, ook dát krijgt hij in augustus voor mekaar, zodat dat jaar zijn verjaardag, 16 augustus, met bloemen in een vaas, aan de Amsterdamse Nassaukade wordt gevierd alsof er helemaal niets aan de hand is. De foto van vaas en bloemen zit in het album. Het Centrum voor Historische Documentatie van de Belgische krijgsmacht heeft me jaren geleden de nodige gegevens waaruit ik nu put, bezorgPiot 1937 in tuin oom Fransd, het meeste is in het Frans en (slecht) handgeschreven en zeker op fotokopie moeilijk leesbaar, maar, gekoppeld vooral aan Vader’s brief, zie verderop, en het familiefotoalbum, met foto’s van hun vakantie in 1937, is deze reconstructie betrouwbaar. Van de zeventien maanden heeft hij er vier gediend. Vader had op 20 november 1937 terug in de kazerne moeten zijn, maar daagde niet op, en werd beschouwd als zijnde gedeserteerd. De “gendarmen” gingen eens langs bij zijn broer in Schoten om te vragen hoe dat nu zat, en die schreef een brief naar Vader om hem van dat bezoek op de hoogte te brengen.  Op 1 december 1937 schrijft Vader een keurige maar assertieve brief naar de Kapitein-Commandant van het 5e Linie Regiment, 11e Compagnie, Falcon Kazerne, Antwerpen. Ik neem de brief integraal over omdat Vaders uitleg alles duidelijk maakt:

“Heden ontving ik van mijn broer te Schooten een brief, waarin hij mij mededeelde, dat hij bezoek had gehad van gendarmen, die hem naar de reden kwamen vragen, dat ik op 19 November l.l. niet in de kazerne verschenen ben. Ter verklaring hiervan het volgende: 6 October l.l. ben ik in Brussel voor de Hoogere Beroepscommissie verschenen, die mij definitief heeft afgekeurd. Toen ik na eenigen tijd geen bericht hieromtrent meer had ontvangen, heb ik mij 15 November l.l. vanuit Amsterdam telefonisch in verbinding gesteld met bovengenoemde Commissie, die mij mededeelde, dat ik over eenige dagen van hen bericht zou ontvangen, en dat ik in géén geval 19 November naar Antwerpen moest komen. Van dit gesprek stelde ik tevens den Consul hier ter stede in kennis. Maandag 29 November werd ik op het Consulaat ontboden, waar ik inzage kreeg van een schrijven uit Brussel, inhoudende dat ik door de Hoogere Beroepscommissie voor den militairen dienst was afgekeurd. Naar ik hoop, dat een en ander U ook reeds vanuit Brussel zal zijn medegedeeld, vertrouw ik dat deze quastie thans behoorlijk is geregeld en dat U ervan overuigd zult zijn, dat er van kwaadwilligheid mijnerzijds geen sprake is. De Consul hier ter stede is bereid, U met alle inlichtingen steeds gaarne van dienst te zijn. Inmiddels teekent met de meeste hoogachting, [handtekening] F.W.H.F. van der Wildt, Nassaukade 344, Amsterdam, Nederland.

Le Colonel Slagmolen bevestigt op 15 december 1937 in naam van het Ministère de la Défense Nationale, Administration Générale Civile, Administration des Pensions Militaires, dat “soldat […] sera licencié per réforme à la date du 15 décembre 1937, pour infirmité ne provenant pas du fait du service.”

Bij wet van 16 november 1939 verwerft Vader de Nederlandse nationaliteit. Op 8 januari 1940 schrijft de ons inmiddels bekende majoor Duquesne, commandant van het 2e Werfbureau van Antwerpen, gevestigd aan de Kielsche Vest, aan de commandant van het 5e Linieregiment:

“Ik heb de eer U mede te deelen dat de Heer Arrondissementscommissaris te Antwerpen, bij brief van 5 Januari 1940, N° 51, mij bericht dat VAN DER WILDT, Frederik-Willem-Herman-Frans, milicien der lichting 1937 ingeschreven te BORGERHOUT, bij wet van 16 november 1939, de Nederlandsche nationaliteit heeft bekomen en om die reden uit de militielijsten dient geschrapt te worden.”

Nu is Vader eindelijk gekalmeerd. De Belgen zullen hem met rust laten. Nu nog de spelling van zijn naam vernederlandsen. Hij is nu vier maanden getrouwd. Hij en mijn moeder wonen op de Amsterdamse Overtoom. Na de zware jaren dertig, breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Hun eerste zoon wordt op 27 december 1940 geboren en krijgt de namen Franciscus Leopold. Roepnaam Frans. De “Frans” blijkt een vaste familiewaarde, geen idee waarom. En met die tweede naam, Leopold – de Belgische koning van de Tweede Wereldoorlog – legt hij dan toch nog, na al dat wee – onbegrijpelijk – een linkje naar dat vervloekte België. Hij zal zijn moeder een plezier hebben willen doen zeker?

Familie2551px 123 107 45

Tekst ©2016 Rob Vanderwildt – Achtergrond logo ©www.myfreetextures.com

Verzwegen

Lauriergracht 29 pxrl

Dit beken ik. Over een bepaalde periode uit de familiegeschiedenis, die bijna negen jaar heeft geduurd, de periode, heb ik tot nu toe gezwegen. Wie met de hond slaapt, voor hem of haar zijn de vlooien, een gezegde met een zeker waarheidsgehalte. Ik heb het wél met goede bedoelingen gedaan – het moest er nog aan mankeren – dat verzwijgen, want hád ik het verteld, je zou dit hele familieverhaal nog ingewikkelder hebben gevonden dan misschien nu al het geval is. (Nazorg altijd mogelijk.) De periode waar ik op doel begint eind oktober 1898, en eindigt einde juni 1907. Tot ver in 1898 – Joannes Baptista is al geruime tijd spoorloos – woont mijn grootmoeder met haar kinderen Karel, Frans en hun halfzus Maria nog altijd in de Cassiersstraat in Antwerpen-Noord. Karel is negen, Frans zeven, Maria twee. Grootmoe – wij noemden haar zo – was voor de vierde keer zwanger, voor de tweede maal van Fred van Swoll. Stiekem. Voorzover je stiekem in verwachting kunt zijn, maar de vader heeft het voorrecht wél te doen of zijn neus bloedt. Officieel woonden Cleerbaut en Van Swoll niet samen, ze vormden in het bevolkingsregister geen gezin, toch stonden ze op een en hetzelfde adres ingeschreven, het is me een godsraadsel hoe ze die komedie tot aan zijn dood in 1915 en tot aan haar dood een kleine vijftig jaar later, hebben kunnen volhouden. Die poppenkast. Dat hide-and-seek zonder vinden. Geen ambtenaar van de burgerlijke stand die (zich) vragen stelde. Gingen ze gearmd over straat? Hoe legden ze het uit aan de buren, en aan de madam van het – alimentation générale/algemene voeding – kruidenierswinkeltje? “Hij is een broer van mij.” (Met Kempische tongval.) “Zij is een zus van mij.” (Met Amsterdamse tongval.) Zoiets? Nooit is er enig bewijs geleverd kunnen worden van de mogelijke dood van Joannes Baptista; ze hebben het vele jaren later nog eens geprobeerd via het Belgische Consulaat-Generaal in Den Haag, tevergeefs, “bewijs van overlijden niet te leveren”, Maria Theresia Cleerbout, schrijft de ambtenaar van dienst – foutje in de familienaam, ach – moet als gezinshoofd worden aangemerkt. Sommige documenten vermelden dat Joannes Baptista overleden is, andere “wiens beroep en tegenwoordig verblijf onbekend zijn”, en op grootmoeders doodsbrief stond, tegen beter weten in, kale schijn ophoudend, een laag vernis aanbrengend, “Weduwe van Joannes Baptista Vanderwildt”, terwijl ze toch al een kleine zeventig jaar daarvan niets met zekerheid wisten, en, verdikke, daardoor tegelijkertijd met één en dezelfde tekstregel het hele bestaan van Fred van Swoll, de vader begot van vijf van haar kinderen, mijn natuurlijke grootvader, uit de familiegeschiedenis wisten, uitvlakten, uitgomden, de een verdween uit eigen beweging, de ander móest verdwijnen. Geen foto is er in de plakboeken blijven zitten. Uitgescheurd. Vernietigd. Hoe pijnlijk is dat? Het ís pijnlijk, voor alle betrokkenen, van toen en voor die van nu, de “nazaten” – wat een gruwelijk-lelijk woord – , hun leven is door een leugen omhuld geweest, en voor sommigen is de recente ontmaskering een démasqué van oprecht verdriet geworden. Het spijt mij. Ik hoor het mijn moeder nog zeggen terwijl ze in de richting van mijn onverstoorbare, in zijn rookfauteuil blauwe Bastos (Belgisch merk!) paffende vader blikt: “Díe neemt geheimen mee in zijn graf!” Zou zijzelf ook maar íets geweten hebben? Ik vrees van niet.

Gek genoeg was Van Swoll iemand met groot gevoel voor verantwoordelijkheid. Dat moet gezegd. En misschien had hij een goede reden om niet voor de fanfare uit te willen lopen. Dat kan volkomen onschuldig zijn geweest, of, achterdochtig als we nu moeten zijn, om iets te verbergen. Zijn naam duikt ruim vóór zijn romance met Maria Theresia alvast tweemaal op in het toenmalige Nederlandse Politieblad, wat niet per se op iets kwaads hoeft te wijzen, intrigeren dóet het. De stoker/zeeman – hij was dat van beroep – bleef sinds zijn samengaan met Maria Theresia alleszins braaf aan wal, bekeerde zich om haren wille van Evangelisch-Luthers tot Rooms-Katholiek, en zocht en vond werk in de diamant, schoolde zich tot diamantbewerker, en het schijnt dat hij op den duur niet echt zelf diamant bewerkte maar werk aannam en liet uitvoeren door thuiswerkers. Het kan ook zijn dat hij het van begin af aan zo gearrangeerd had. Een baas? Altijd goed voor zijn mensen geweest, zei een tante van me, een zus van mijn vader, toen ik haar in de jaren 1990 een bezoekje bracht, maar we beseften beiden niet dat we het over twee verschillende mannen hadden, zij over Van Swoll en ik over Vanderwildt, of zij wist het misschien wel en speelde het spel mee, of, wat ook nog mogelijk is, wist ook zij van niks, van toeten, noch van blazen. Ze was een lieve vrouw, erg aangedaan door haar korte bekentenissen op de deurdrempel, hoorde ik een dag nadien van haar zoon, mijn neef. Hij belde me er speciaal voor op, terwijl we elkaar zelden of nooit zagen, behoudens op een begrafenis. Dat ik het potje maar beter gedekt liet, zei hij, maar over welk potje het dan ging, nee, dat wist ook hij niet. En het weten, wilde hij niet. Maar wat heb ík nu verzwegen? Wel…

Van Swoll’s activiteiten in de diamantwereld hebben hem er eind negentiende eeuw wellicht toe aangezet om van Antwerpen naar Amsterdam te verkassen. Heb al eerder verteld dat er in die tijd veel uitwisseling was, en handel, tussen Antwerpen en Amsterdam. Andere verklaringen zijn ook mogelijk. Ordinair heimwee. Een zakelijk dispuut. Ruzie. Meer werk ginderachter dan hier. Wie het weet, mag het zeggen. In elk geval vertrok hij. Maria Theresia ook, hoogzwanger, met haar drie kinderen, alledrie nog onder de tien, en belandde in een bouwvallig pand in de Lange Leidschedwarsstraat 80 I hoog achter, een paar straten achter het Leidseplein, waar ze op 29 oktober 1898 stond geregistreerd. Het gezin staat in het bevolkingsregister als bestaande uit twee mannen, twee vrouwen. Op basis van die “2.2” (archiefjargon voor 2 mannen en 2 vrouwen) heb ik altijd gedacht dat het ging om Joannes Baptista en zoon Frans, en om Maria Theresia en dochter Maria, en dat oudste zoon Karel al vroeg overleden moest zijn. Dat verhaal bleek later dus helemaal niet te kloppen. Maria Theresia zat er met twee zonen en een dochter, alleen zogezegd, terwijl Van Swoll wél op hetzelfde adres werd ingeschreven, één verdieping hoger, maar zonder officiële relatie met Maria Theresia. Nog altijd geen indringende vragen, ook niet in Amsterdam… Van niemand niet. Heeft Van Swoll voor de buitenwereld al die tijd gedaan alsof híj Vanderwildt was, en is hij er telkens onderuit gemuisd als het te officieel werd? Te warm onder de voeten? Een maand later waren ze alweer weg uit de Lange Leidschedwarsstraat, gelukkig maar, want het pand werd onbewoonbaar verklaard. Op 30 november worden de vier ingeschreven op het adres Lauriergracht 29 II hoog voor. Hartje Jordaan. En dan heb ik puur geluk, als ik zonder verwachtingen, uit nieuwsgierigheid, in de beeldbank van het Amsterdamse Stadsarchief zoek, en een foto vind van… Lauriergracht nummer 29, zie foto bovenaan, je ziet het nummer, met een beetje pieren, of wat uitvergroten, op het raam boven de winkeldeur, men verkocht er drank (“Deli Stout en Lager”) en dergelijke, en misschien is die man rechts in beeld wel Fred van Swoll, die, handen in de zakken, iemand opwacht om een handeltje mee te drijven. Diamantjes passen met gemak in een zakdoek in je broekzak, nietwaar. Overigens is het niet zonder betekenis dat het gezin, in welke samenstelling ook, al zo snel na hun aankomst in Amsterdam, en met een korte tussenstop in dat krot, op de Lauriergracht terechtkwam, want deze Lauriergracht was in die tijd een belangrijke, drukke ader in de Jordaan, met tal van bedrijfjes, zelfs een chemisch laboratorium waar het nog weleens wilde ontploffen, een kerk, een school, de nodige neringdoeners en werkplaatsen, echt heel laag zullen de huren er niet geweest zijn, zeker niet aan de “voorkant”, maar zoals ik al eerder heb vermoed, had die Van Swoll wel wat centen te verteren. Alleen waar die centen altijd precies vandaan zijn gekomen, daar zullen we het raden naar hebben, al doet in één familietak het verhaal de ronde dat de familie het nodige aan diamanten bezat, gemakkelijk in de broekzak, maar mijn familietak is daarvan dan verstoken gebleven. Ocharme.

Hoe mijn grootmoeder dat allemaal geflikt heeft, ik heb geen idee, maar ze moet een sterke madam zijn geweest. Een matrone. Eenvoudige maar onverzettelijke dienstbode, vanuit dat provinciale Duffel via Antwerpen met drie kleine kinderen en hoogzwanger naar een onbekende omgeving in het grote Amsterdam, en in afwachting van een onbestemd lot. Maar ze had genoeg aan haar hoofd om daar niet te lang bij stil te staan, Van Swoll was haar redder, en nog meer, en op de derde januari van het jaar daarop, 1899 kwam haar en hun tweede dochter ter wereld. Haar naam? Zij en Van Swoll hebben lang of kort daarover nagedacht, maar het compromis dat ze vonden is weergaloos, en verraadt de Belgische afkomst van Maria Theresia, het werd namelijk Elisabeth Wilhelmina, naar allereerst de Belgische koningin, echtgenote van soldaat-koning Albert – van wie altijd een portret achter haar aan de muur gehangen heeft – en tweeds de toenmalige koningin van het Koninkrijk der Nederlanden. Iedereen tevreden, godvruchtig en koningsgezind, en gelukkig voor Elisabeth Wilhelmina, mocht ze gewoon als Wil verder door het leven gaan. Van Swoll ging haar zelf aangeven, gaf op dat hij zeeman waHandtekening JB Valss, en tekende als zijnde “Vanderwildt Baptista”, eerste afbeelding, met de naam “Baptista” had hij het duidelijk nogal moeilijk, – ter vergelijking verderop de handtekening die de “echte” Joannes Baptista zette op de geboorteaangifte van zijn oudste zoon Karel. Het verschil kan niet markanter zijn. Na Wil volgden Theresia Louisa (1900) (Wies), Cornelia Josephina (1904) (Corrie) en Fredericus Wilhelmus Hermanus Handtekening JB EchtFranciscus (1906), mijn vader, die aanvankelijk Frits heette, ook Fred, maar naderhand definitief Frans, ook weer zo’n raadsel, waar een van mijn broers nochtans wel een verklaring voor had, maar dan nog. What’s in a name? Van zijn geboorte werd aangifte gedaan door Cato Plat, vroedvrouw, die beweerde niets van de vader te weten; ze zullen haar wel ingefluisterd hebben wat ze zeggen moest.

En dan een jaar na vaders geboorte wordt er weer een besluit genomen waarvoor ik geen verklaring heb, tenzij dan de diamant: ze verhuizen naar Antwerpen terug. Karel echter, de oudste, die inmiddels achttien jaar is en werk heeft als diamantbewerker, en wellicht op vrijersvoeten, of te zeer gehecht geraakt aan het Amsterdamse leven, met alles erop en eraan, het nachtleven, de kroeg, de meisjes, de roes, de vermeende vrijheid, wil niet mee, en gaat op eigen benen staan. De rest belandt einde juni 1907 in de Eendrachtstraat in de Antwerpse slachthuisbuurt, verhuist nog een negental keer, en vindt ten lange leste een stek in de Borgerhoutse Godtsstraat. En het is van hieruit dat ze dan goed zeven jaar later opnieuw de wijk nemen naar Amsterdam, maar om redenen dit keer die wél duidelijk zijn: de Groote Oorlog. Het is 1914. De dan zevenenveertigjarige Maria Theresia heeft al een bewogen leven achter de rug: moeder gestorven toen zijzelf amper vier jaar oud was, later haar vader opgevangen in Antwerpen toen diens tweede vrouw naar Geel* was afgevoerd, twee mannen gekend en bekend, zeven kinderen, van wie er een gestorven, een zoon in Amsterdam, met dank aan de tweede oudste, Frans, gehuwd in 1912, tweemaal grootmoeder, verhuisd van Duffel naar Antwerpen naar Amsterdam naar Antwerpen en terug naar Amsterdam. Eén van de mannen is spoorloos, de tweede sterft reeds in 1915. De schizofrenie van gehuwd te zijn en toch ook niet. De schizofrenie van te doen alsof je behoeftig bent, maar dat je dat, afgaande op enkele vaststellingen, niet bent. Ben je dan aan het profiteren? De schizofrenie, of beter misschien: de hypocrisie, van buiten echt samen te leven met een man van een andere gezindte, die zich natuurlijk tot het Rooms-Katholicisme bekeert – reken maar dat hij geen andere keuze had! – en toch ontstemd te zijn als je zoon, mijn vader, wenst te huwen met een meisje van protestantsen huize, mijn moeder, die zich braafjes bekeert maar in schoonmoeders ogen nooit een echte katholieke wordt. Aangetrouwd, eigen wordt het nooit. Nog zo’n familiemotto. Wat doet dat met je waardigheid? De appreciatie voor jezelf en het, het moet gezegd, echt wel moeilijke leven dat je leidt. Wat vind je dan van jezelf? Enige verbittering is haar, niet zo vreemd, nooit vreemd geweest, en zo herinner ik mij haar ook, de verbeten trek op haar gelaat, een stokoude in het zwart gehulde dame zonder tanden, ingevallen mond, enkele zwarte sprietjes haar op de kin – ze was tachtig toen ik geboren werd – zittend in haar zetel aan het raam van Lauriergracht nummer 158, III hoog. Vóór, dat wel. Altijd naar buiten kijkend, uitkijkend, naar buiten stárend, over de gracht, de blik niet rustend op een zeker punt, weemoedig, met weemoed, met tristesse, zoekende blik naar, ja, naar wie, naar iemand die wellicht niet meer verwacht kon worden maar naar wie wel heftig verlangen was.

*In de stad Geel worden van oudsher vele geesteszieken verzorgd, ook in gezinsopvang.

Familie2551px 123 107 45

Tekst ©2016 Rob Vanderwildt – Achtergrond logo ©www.myfreetextures.com